BD.1618
18 september 1940
De ziel en de geestvonk in de mens
De ziel van de mens bestaat uit de aaneensluiting van talloze
zielesubstanties, dat wil zeggen: de verzamelpunten van geestelijke kracht als
vaten die het geestelijke uit God opnemen. Elke van deze talloze substanties
was tevoren ergens anders in belichaamd, dat wil zeggen: omhuld van een vorm die
tot doel had het geestelijke te ontwikkelen en de mogelijkheid te geven
tot In later aaneensluiten met dezelfde substanties: De ziel van de mens
is dus in haar opgeloste zielepartikeltjes door ieder scheppingswerk gegaan
en is dus als het ware rijp geworden voor haar allerlaatste belichaming
op deze aarde, en zij neemt ook steeds dezelfde vorm aan als het uiterlijk
omhulsel dat haar omsluit.
Het zou degene die met geestelijke ogen kon zien een geweldig bekoorlijk
en menigvuldig beeld bieden wanneer hij de ziel van de mens in haar samenstelling
kon zien. Want dit scheppingswerk van God is weliswaar niet zichtbaar
maar onbeschrijflijk, zowel in zijn opbouw als ook in zijn doelmatigheid.
Desondanks zou de beschrijving van de gedaante der ziel het denken van
de mens slechts verwarren, want hij begrijpt niet welke talloze wonderwerken
het menselijke lichaam in zich bergt.
Het is de gehele schepping in miniatuur wat onder de ziel van de mens
te verstaan is, want de ziel is het binnenste van de mens en omvat de
gehele schepping. Zij is bestemd om in het aardse leven volmaakt te worden
om in de lofprijzing tot God, de gelukzaligheid van de Hemel te genieten,
want de ziel bergt ook de Goddelijke geest in zich. Het geestelijke is
weliswaar de oersubstantie van de ziel in al haar ontwikkelingsfasen,
maar de Goddelijke geestvonk legt God Zelf in de als mens zich incarnerende
ziel. Hij ademt de mens Zijn adem in, Hij legt in de mens het Goddelijke,
Hij geeft de ziel de opdracht te kiezen voor het Goddelijke of het menselijke
gedurende haar laatste bestaan op aarde.
Is nu de ziel, het geestelijke uit God dat zich eertijds tegen Hem keerde
gewillig zich te verenigen met de Goddelijke geest, dan begint de verheerlijking
van wat eens van God vervreemd was en het wordt weer "licht"
in de menselijke ziel. Zij verenigt zich met de Goddelijke geest, wanneer
zij al het menselijke begeren dat tot beproeving van de wil als verleiding
het lichaam aankleeft, standvastig overwint. Wanneer zij tegen alles ingaat
wat het lichaam als zodanig van haar eist en zichzelf vrijwillig onderwerpt,
aan wat de Goddelijke geest van haar verlangt. Want dan geeft de ziel
voorgoed haar voorgaande weerstand op en zij beslist voor God. Zij stelt
zich niet meer bewust op tegen het Goddelijke en neemt de liefdesuitstraling,
de kracht uit God aan om het geestelijke in zich te vergroten, om de aaneensluiting
van het geestelijke in zich met het geestelijke buiten zich te veroorzaken
- en zij streeft zodoende bewust naar de toenadering tot God.
Is echter het lichamelijke begeren overheersend, dan sluimert de Goddelijke
geestvonk in de diepste omhulling in de mens en kan geen "licht"
uitstralen. De ziel blijft in diepe geestelijke duisternis en leeft haar
aardse leven zonder enig resultaat, want de geest in haar is veroordeeld
tot een werkeloze toestand. En dan is het aardse leven geen weg tot hogere
ontwikkeling voor haar, maar een tijd van stilstand of zelfs teruggang.
Dan is de Goddelijke geestvonk onopgemerkt gebleven en kan zich niet uiten,
waardoor de kracht van de Goddelijke liefde het wezen niet kon toevloeien
en dus ook nimmermeer de vereniging met de Vadergeest van eeuwigheid kan
plaats vinden.
En die lichtloze toestand die de ziel op aarde zelf heeft gekozen, neemt
zij mee hierna in de eeuwigheid. Ze overdenkt daar in eindeloze kwelling
van berouw de onbenutte tijd op aarde en moet nu een veel zwaardere strijd
voeren, om haar toestand in een lichtvollere te veranderen.
Amen |