BD.8613
11 september 1963
De schepping is het werk van God
Al Mijn scheppingswerken bewijzen Mijn eindeloze Liefde voor
u, en Mijn onovertrefbare Wijsheid en Almacht, want ze ontstonden enkel
en alleen voor de redding en terugvoering van het eens gevallen geestelijke.
Daarom is het gehele scheppingswerk een uitdrukking van Mijn overgrote
Liefde, want het betrof recht-streeks de geestelijke wezens die zich tegen
Mij verzetten, Mijn Liefde afwezen en daardoor Mijn Liefde niet meer waardig
waren. En nochtans bewoog Mij juist dat weerspannige geestelijke ertoe
scheppingswerken te doen ontstaan die als doel hadden dat dat geestelijke
zijn weerstand op zou geven, en weer tot Mij terug zou keren.
De Liefde lette dus niet op de weerstand maar nam deze gevallen wezens
gevangen, dat wil zeggen: Mijn Wijsheid en Macht loste het wezen op in ontelbare
deeltjes. Mijn Liefdekracht omhulde hen en vormde de eens als wezens uitgestraalde
kracht om tot scheppingswerken, welke Mijn Wijsheid weer hun bestemming
toewees. Liefde, Wijsheid en Macht waren onophoudelijk bezig scheppingswerken
te laten ontstaan, zodoende was en is de schepping in de ware zin van
het woord een goddelijk werk dat van Mij en Mijn Wezen getuigt. En dat
op u, mensen als het grootste wonder moest overkomen wanneer u daar ernstig
over nadenkt. En deze schepping zal ook steeds een wonder blijven, want
de dingen zijn niet zonder leven maar zijn in voortdurende verandering.
De functie's van de afzonderlijke scheppingswerken bewijzen voor elk nadenkend
mens een levende God, vol van Wijsheid en energie, Wiens Liefde onuitputtelijk
en Wiens Macht onbegrensd is. En Die zonder ophouden vormen laat onstaan,
die de eens gevallen deeltjes die in een "je moet toestand"
in de scheppingswerken dienen, in zich dragen. Want Ik onttrok het gevallen
geestelijke uit de macht van Mijn tegenstander, de macht die het eens
ten val had gebracht. en die het vrijwillig gevolgd was. Het was weliswaar
van hem, juist omdat het hem vrijwillig volgde, en toch was hem iedere
macht over het geestelijke,dat Mijn Liefdekracht tot materie liet worden,
ontnomen. Het geestelijke was zodoende aan de invloed van Mijn tegenstander
onttrokken en stond nu onder Mijn wet. Het was niet meer vrij, want het
had voor zichzelf zijn vrijheid verspeeld. Maar voor zijn bestwil stelde
Ik het nu onder Mijn wet, zodat het dienen moest in een gekluisterde toestand.
De gehele schepping is dus een werk van Mijn Liefde voor het gevallen
ongelukkige geestelijke, dat de weg door de materie af moet leggen in
grote ellende. Heeft het eens gevallen geestelijke echter de weg door
de schepping afgelegd en gaat dan als mens over de aarde, dan is hem ook
het scheppingswerk begrijpelijk, hij kan er zich over verheugen omdat
de toestand van ellende achter hem ligt. Hij ziet de schepping in al haar
heerlijkheid voor zich, zij getuigt ook van de Liefde, Wijsheid en Macht
van de Schepper, wanneer hij de laatste weerstand tegen Mij opgeeft. De
mens is dan in zekere zin wel al vrij maar toch nog blootgesteld aan de
invloed van Mijn tegenstander, die tevoren geen macht over het geestelijke
had. De mens is dus steeds nog zolang zijn aandeel, totdat hij zich in
vrije wil van hem heeft losgemaakt.
En aldus moet u goed begrijpen: De schepping kan en zal u, mensen gelukkig
maken omdat ze Mijn werk is, alleen dat Ik voor haar ontstaan gebruik
maakte van de eens door Mij als wezens uitgestraalde kracht die Ik omvormde
tot de meest verschillende werken van Mijn oneindige-Liefde-en-Wijsheid.
Dat zij evenwel in haar substantie het gevallen geestelijke is, en zodoende
tot Mijn tegenstander behoort tot het geheel verlost weer tot Mij is teruggekeerd.
U mensen ziet niet het gevallene in de scheppingen, u ziet alleen de uitwerking
van Mijn Liefde en mag uzelf over deze verheugen. U mag Mijzelf daarin
herkennen en u mag uzelf gelukkig prijzen dat u de weg terug door de schepping
weer hebt afgelegd, en kort voor uw voleinding staat. U moet echter ook
daaraan denken dat de werkelijke wereld een geestelijke wereld is, die
alleen zichtbaar is voor hem die met geestelijke ogen kijkt - en dat alles
wat voor u mensen zichtbaar is slechts een weerglans is van deze werkelijke
geestelijke wereld. U moet daaraan denken dat elke materie bestaat uit
verharde geestelijke substantie, en dat deze verharding weer alleen het
gevolg was van de weerstand tegen Mij en de afwijzing van Mijn Liefdekracht.
Want dan zal het voor u ook begrijpelijk zijn dat de aardse materie het
Mij wederstrevende geestelijke is dat Mijn Liefde en Wijsheid alleen tot
een dienende functie aanspoort om zijn weerstand te breken en eenmaal
weer tot zijn oertoestand terug te voeren.
De afval der wezens van Mij bracht dus de verharding van geestelijke substantie
teweeg. Dus behoort dit verharde geestelijke zolang nog tot Mijn tegenstander
tot deze substantie weer vergeestelijkt is, wat Mij echter niet hindert
hem de macht over dat geestelijke te ontrukken en dit tot scheppingen
van allerlei aard om te vormen met het doel het geestelijke (definitief)
tot een vrijwillig afkeren van hem en een vrijwillig terugkeren tot Mij
te bewegen. En zo blijft de schepping ook steeds een goddelijk werk van
Mijn eindeloze Liefde en Wijsheid dat alleen Ik Zelf kon laten ontstaan,
Ik Die alle Macht en Kracht bezit en Die alles tot uitvoering kan brengen
wat Mijn Liefde en Wijsheid wil en als succesvol inziet.
Amen |