BD.5612
28 februari 1953
Het eerstgeschapen wezen - Drager van het licht - Afval van
God
Uw menselijk verstand kan alleen tot een bepaalde graad deze
diepe waarheid begrijpen, want het zuiver geestelijke kan alleen maar
geestelijk verklaard worden. Deze verklaring wordt door de geest in u
aangenomen en ook wel door de ziel tot het verstand geleid, maar uw verstand
is aards nog te zeer belast en kan bijgevolg niet diep in de geestelijke
kennis binnendringen, dat hem alles duidelijk is. Desondanks werkt Mijn
Geest door de geestvonk in u, en wie in de liefde leeft, begrijpt ook
de bedoeling van wat Ik hem openbaar.
Mijn Wil om vorm te geven was overgroot en Mijn Kracht was onuitputtelijk,
en Ik vond Mijn vreugde in het verwerkelijken van Mijn gedachten en plannen.
En deze gelukzaligheid wilde zich weggeven en Mijn Liefde wilde zich uitstorten.
Ik wilde dat buiten Mij nog een wezen zich verheugen zou over wat Mij
zo onuitsprekelijk gelukkig maakte. Ik voelde Mijn alleen zijn als een
tekort dat Ik te allen tijde kon opheffen als Ik dat wilde. En Ik wilde
Mij Zelf weervinden in een wezen dat met Mij ten nauwste verbonden zou
zijn en dat Ik als een spiegelbeeld van Mij Zelf, als Mijn evenbeeld wilde
vormen, om dit wezen onbegrensde gelukzaligheden te bereiden en zo ook
Mijn zaligheid weer te verhogen. Ik wilde zo'n wezen scheppen en deze
wil was voldoende, want Mijn wil was Kracht - en werkte steeds in Liefde
en Wijsheid. Het wezen uit Mij voortgekomen was weliswaar Mijn evenbeeld
maar kon Mij niet zien, want als dit mogelijk geweest was, zou het vergaan
zijn van zaligheid, omdat geen wezen Mijn aanblik zou kunnen verdragen.
Want ieder wezen, ook het volmaaktste beeld van Mij Zelf is alleen maar
voortgebracht door de Kracht van Mijn Liefde, terwijl Ik de kracht van
de Liefde Zelf ben en in onvergelijkelijke sterkte alles in glans overtref.
Daarom was Ik voor het door Mij geschapen wezen ook niet te aanschouwen,
maar Ik had voor Mij in dat wezen een opnamevat geschapen waarin de kracht
van Mijn Liefde onafgebroken kon binnenstromen. Een wezen dat dus ook
Mijn Wil tot vormen, Mijn macht, Mijn wijsheid en Mijn Liefde in overmaat
van Mij ontving door het gestadige binnenstromen van de Kracht uit Mij.
Het kon dus nu dezelfde zaligheid ondervinden, het kon zijn kracht weggeven
naar zijn wil, het kon scheppend werkzaam zijn tot zijn eigen vreugde
en zijn zaligheid gestadig verhogen omdat Mijn Kracht dat wezen daartoe
in staat stelde. En Ik genoot van zijn geluk.
En nu kwamen uit dat wezen talloze gelijke wezens voort. Zij waren allen
kinderen van Mijn Liefde en stonden in stralend licht en hoogste volmaaktheid.
Want vanuit het door Mij geschapen evenbeeld van Mij Zelf en door Mijn
oneindige Liefde kon altijd alleen maar het volmaakte voortkomen, omdat
onze beider wil gelijk was en onze beider liefde in deze geschapen wezens
voorkwam en er bijgevolg ook niets onvolmaakts bestond zolang Mijn Liefde
en Mijn Wil aan het werk waren door dat eerstgeschapen wezen. Het was
een vreugdevolle geestenwereld van oergeschapen geesten in grote getale.
De Kracht uit Mij stroomde onbeperkt toe tot het wezen dat Ik Mij had
uitverkoren om drager te zijn van licht en kracht. Het wezen zelf was
meer dan gelukkig, maar Ik wilde ook deze gelukzaligheid nog verhogen.
Ik wilde dat het niet aan Mijn Wil gebonden was, maar dat het uit eigen
wil werkzaam zou zijn, die, als dat wezen volmaakt zou blijven, ook Mijn
Wil was. Want dat wezen was, toen het door Mij geschapen was tot geen
ander willen in staat. Ik wilde echter dat het vrij als heer en meester
kon handelen, daar dit pas het kenmerk is van een goddelijk wezen, en
dat de liefde in hem zo machtig is, dat zij beslissend is voor een met
Mij gelijkgerichte wil. Deze liefde wilde Ik van Mijn eerstgeschapen wezen
ontvangen, die het wezen dan ook tegelijkertijd de hoogste volmaaktheid
zou brengen. Daardoor zou het niet meer als een geschapen wezen naar Mijn
Wil werken, maar als uit liefde in Mijn Wil binnengegaan, onbegrensde
zaligheden genieten.
Om echter deze wils- en liefdeproef af te kunnen leggen moest het zich
in volledige vrijheid van wil bewegen. Het wezen zag Mij niet maar kende
Mij, want het stond in het "licht der waarheid". Het zag echter
ook de talloze wezens die zijn wil had laten ontstaan en voelde zich zelf
als hun verwekker, ofschoon het wist dat het de Kracht van Mij ontvangen
had. Maar dit wezen benijdde Mij die Kracht. Als zelf zichtbaar voor de
door hem geschapen wezens was het zich toch bewust van Mij te zijn uitgegaan.
Maar het eiste het recht tot heersen over deze wezens voor zichzelf, terwijl
het zich zelf aan hen als krachtbron, als de enige macht die scheppen
kon, presenteerde. Het zegde als het ware de liefde voor Mij op om te
kunnen heersen. Het is voor u, mensen onbegrijpelijk dat een zichzelf
kennend wezen in zo'n foutief denken verdwalen kon. De verklaring hiervoor
is de vrije wil, die, om werkzaam te kunnen worden ook negatief moest
kunnen kiezen, echter niet kiezen moest.
De licht- en krachtdrager zag enerzijds de bewijzen van de hem doorstroomde
Kracht, doch de Krachtbron Zelf zag hij niet. Daarom verhief hij zichzelf
tot heerser over zijn geschapen geesten en probeerde ook hun het idee
te geven dat Ik niet bestond. Hij probeerde nu zijn van Mij afgekeerde
wil op hen over te dragen. En nu kwam het moment van beslissing: het aantonen
van hun volmaaktheid, ook voor de door de lichtdrager met behulp van Mijn
Kracht geschapen wezens. Mijn Kracht was in al die wezens aanwezig, zij
waren vol van licht en straalden van liefde tot Mij Die zij weliswaar
niet konden zien, maar toch beseften. Maar zij waren ook hun verwekker
in liefde toegedaan omdat de hen verwekkende kracht Liefde was die door
het eerstgeschapen wezen stroomde, en het tot scheppen in staat had gesteld.
Deze liefde moest nu beslissen en viel uiteen. Er ontstond een heilloze
verwarring onder het geestelijke dat zich gedwongen voelde een beslissing
te nemen. Maar het was ook weer begrijpelijk, omdat de Kracht van Mijn
Liefde als licht werkt, dat de drang tot de Oerbron van die kracht bij
vele wezens sterker was, dat de liefde tot hem, die zich van Mij afscheidde,
sterk afnam en zich daarom met grote kracht op Mij richtte. Het licht
in hen gaf het inzicht dat Ik de Liefde al was van eeuwigheid. Ieder wezen
had dat besef maar ook de vrije wil die niet door dit inzicht gebonden
was, anders zou hij onvrij geweest zijn. En zo splitste zich de geestelijke
wereld, en het wezen dat uit Mij voortkwam had zijn aanhang, evenals Ik
Zelf, ofschoon Ik niet zichtbaar was. De Kracht uit Mij werkte echter
zo sterk, dat vele wezens zich afwendden van hem die zich tegen Mij wilde
verzetten. Hun wil bleef in de juiste richting terwijl de lichtdrager
en zijn aanhang hun wil de verkeerde richting gaven, zich aldus met hun
wil van Mij los maakten en dit de val in de diepte betekende.
Zodoende werd de lichtdrager, het uit Mij voortgekomen wezen Mijn tegenstander,
terwijl het uit hem voortgekomene, geschapen door onze beider liefdewil,
zich deels naar Mij en deels naar hem toekeerde, naarmate de gloed van
liefde waarvan het vervuld was. Want vanaf het moment dat de lichtdrager
zich van Mij afwendde, ontstond er in de wezens een onbestemd verlangen
naar een vaste pool. De vrije wil begon zich te ontwikkelen, want zij
werden noch door Mij, noch door Mijn tegenstander door dwang beïnvloed,
maar alleen bestraald door onze beider kracht die ieder wezen voor zich
winnen wilde. Het toestromen van Mijn Kracht was alleen Liefde, en ze
raakte deze wezens zo geweldig aan dat zij Mij herkenden zonder Mij te
zien. Zij konden echter ook de verandering van wil van Mijn eerstgeschapen
wezen zien. Maar daar zij dit wezen konden zien volgden velen hem na,
wat zeggen wil, zij onderwierpen zich aan zijn wil en keerden Mij zodoende
de rug toe. Doch evenzo voelden ook vele oergeschapen wezens zich als
Mijn kinderen, en dezen bleven Mij trouw uit vrije wil, alleen was hun
aantal veel geringer. Dit waren de eerstgeschapen wezens, de meest zalige
uitingen van de wil van Mijn lichtdrager om vorm te geven en die de hem
onmetelijk toestromende kracht van Mijn Liefde liet ontstaan. Deze kracht
van Liefde was ook deze wezens eigen en dreef hen onophoudelijk tot Mij.
Zij beseften dat de tegenwoordige wil van hun verwekker verkeerd was en
zij wendden zich daarom van hem af. Dit inzicht zou ook voor de andere
wezens mogelijk geweest zijn, maar zij volgden blindelings hem die zij
konden aanschouwen. En hun wil werd gerespecteerd en op geen enkele manier
door Mij beïnvloed, want de wilsbeslissing moest plaats vinden om
het geschapene tot zelfstandige volmaaktheid te voeren. Het wezen dat
Mij verliet trok zijn grote aanhang met zich in de diepte. Want zich van
Mij te verwijderen betekent aan te sturen op de diepte, een totaal tegenovergestelde
toestand tegemoet te gaan, wat dus betekent duisternis, krachteloosheid
en gemis aan inzicht. Daarentegen verbleven Mijn kinderen in het stralendste
licht en in onmetelijke kracht en zaligheid.
Na deze val van Lucifer, de lichtdrager, was zijn kracht gebroken. Hij
kon niet langer meer scheppend en vormend bezig zijn, hoewel Ik hem niet
alle kracht ontnam omdat hij Mijn schepsel was. Zijn macht en kracht is
nu zijn aanhang, waarover hij heerst als "vorst der duisternis".
Maar toch zijn zij die hem volgden ook producten van Mijn Liefde, die
Ik niet voor eeuwig aan Mijn tegenstander overlaat. Zolang deze wezens
nog zijn wil in zich dragen behoren zij hem toe. Doch zodra het Mij gelukt
is hun wil tot Mij te keren, heeft hij hen verloren. Zijn kracht neemt
dan in gelijke mate af als Ik het van hem afhankelijke verlos uit zijn
macht, wat echter steeds de vrije wil van de geschapen wezens vooropstelt.
En dit is het doel van Mijn heilsplan van eeuwigheid, dat door alle bewoners
van het lichtrijk, door Mijn engelen en aartsengelen, vol ijver en vol
liefde ondersteund wordt. Want zij zijn allen Mijn medewerkers die moeite
doen hun gevallen broeders en zusters de zaligheid terug te brengen, die
zij eens verworpen hebben. En dit bevrijdingswerk zal slagen, ofschoon
het eeuwig lange tijden vereist tot het laatste, eens gevallene tot Mij
terugkeert. Tot ook Mijn uit Mijn Liefde voortgekomen eerste wezen Mij
weer nader komt in verlangen naar Mijn Liefde, tot ook deze berouwvol
in het Vaderhuis terugkeert dat hij eens vrijwillig heeft verlaten.
Amen |