BD.6579
21 juni 1956
"Niemand komt tot de Vader…. "
"Niemand komt tot de Vader dan door Mij". Hoe buitengewoon
belangrijk deze woorden zijn wordt ook verklaard door de noodzaak die
mensen tot het geloof in Jezus Christus te brengen die dat geloof nog
niet bezitten, of tot een levend geloof aan te sporen bij wie de kennis
over Jezus Christus reeds aanwezig is. Want niemand kan tot Mij komen
die niet in Jezus Christus Mijzelf ziet.
Er zijn wel mensen die voorgeven in een God te geloven omdat Hij Zich
bewijst in alles wat de mens omringt die echter Jezus als Christus niet
willen aannemen als "Zoon van God" en "Verlosser der
Wereld" - en zichzelf daarom toch niet voor ongelovig houden.
Maar deze mensen staan nog ver van hun God en Schepper af. Zij zijn met
Mij nog niet nauw verbonden en konden daarom ook nog niet in hun denken
verlicht worden.
Op hen drukt nog de zonde dat ze zich eens van Mij hebben afgewend en
door deze zonde zijn zij nog aan Mijn tegenstander gebonden, maar zij
kunnen zonder Jezus Christus niet van hem bevrijd worden. Over deze zonde
van de vroegere afval van Mij weten maar zeer weinig mensen, en daarom
is men zich de betekenis van Jezus en Zijn verlossingswerk ook niet bewust.
Voor zover nu de leringen van het evangelie de mensen bekend zijn en voor
zover zij bekend zijn met de woorden die Jezus op de aarde heeft gesproken,
zouden zij ook kunnen nadenken over de woorden: "Niemand komt tot
de Vader dan door Mij". En als zij serieuze opheldering zouden verlangen,
dan zouden zij deze ook zeker ontvangen en de gedachte aan deze woorden
zou hen niet meer loslaten.
Er is alleen maar één weg mogelijk, namelijk door Jezus Christus
tot Mij, omdat de kwijtschelding van de zondeschuld moet vooraf gaan om
door Mij aangenomen te kunnen worden. Zonder de verlossing door Jezus
Christus kan geen wezen dat in vrije wil een zonde begaan heeft Mij naderen.
Dit is een wet die ook Mijn eindeloze liefde niet teniet kan doen.
En geen mens kan zich in zijn hart geheel zeker voelen tegenover God,
als hij Die wel erkent, maar meer met woorden of oppervlakkige gedachten.
Want een ernstig nadenken zou hem toch gevoelsmatig laten weten dat zijn
verhouding met zijn God en Schepper van eeuwigheid niet de juiste is.
Hij zal zich ook nooit, zoals een kind aan zijn vader, aan Mij toevertrouwen,
hij zal alleen geloven dat er een God bestaat echter niet de nauwe verbinding
die de liefde voorop stelt, met Mij tot stand brengen.
Want de liefde verlicht ook zijn geest, de liefde zou zijn geestelijk
oog scherpen en zou hem vragen doen stellen, niet echter iets laten beweren
wat onjuist is.
Een onbehaaglijk gevoel zal over ieder mens komen die over geestelijke
dingen nadenkt, en die met Jezus Christus nog niet in contact is getreden.
Voor hem zal de lijdensweg en de kruisdood niet onbekend blijven en hij
zal steeds weer met zijn medemensen daarover in gesprek komen, of door
hen aan Jezus Christus herinnerd worden. Want steeds weer zal Ik zijn
gedachten leiden naar de mens Jezus, Die op de aarde geleefd heeft en
een smartelijk einde op Zich nam. En ook al belijdt hij Hem nog niet,
toch is hem het leven van Jezus op aarde bekend en Ik Zelf wil bereiken
dat hij Mij in Jezus Christus niet zal vergeten. En overeenkomstig de
graad van liefde waarin deze mens zich bevindt, zal ook het aanvaarden
of de tegenstand zijn.
Waar echter liefde aanwezig is zal Ik de mens Zelf beroeren en zijn tegenstand
zal steeds minder worden. En ten laatste zal ook de mens Jezus voor hem
in een geheel ander licht komen te staan, dan eerst toen hij Hem nog geheel
afwees.
Is hij echter niet voor rede vatbaar, is zijn wil in het uur van zijn
dood nog vijandig ingesteld, dan kan hij in het geestelijke rijk geen
zaligheid verwachten. Dan kan hij ondanks een correcte levenswandel alleen
in dat rijk opgenomen worden waarin allen verblijven die Christus verloochend
hebben. Want hij heeft zich niet laten verlossen en gaat nu gebonden het
rijk hierna binnen.
Maar ook daar kan hij nog zijn Goddelijke Heiland en Verlosser vinden.
En dat is wederom een grote genade van Mij dat Ik ook in het geestelijke
rijk allen tegemoet kom, die Mij tot nog toe afgewezen hebben. Dat Ik
iedere roep hoor die tot Mij als Verlosser wordt opgezonden, en dan de
roepende bij de hand neem en uit dat gebied Mijn goddelijke gelukzaligheid
binnenvoer. Want Ik haal nog uit de diepte terug zo gauw Ik erkend word,
als een ziel de weg naar Jezus gevonden heeft, die zij op aarde afwees
en zonder Wie zij toch niet tot Mij kan komen.
Het lichtrijk is voor iedere ziel gesloten zolang Jezus Christus haar
niet de poort opent, wat echter Zijn erkenning als "Zoon van God"
en "Verlosser der wereld" vereist, in Wie Zich de Eeuwige Godheid
Zelf belichaamde om de mensen te bevrijden uit de macht van de tegenstander.
De mens is te zwak om zich alleen te bevrijden; hij heeft de hulp van
Jezus Christus nodig. En hij kan die hulp alleen maar ondervinden als
hij zich zelf tot Hem wendt, wat echter ook de erkenning van Mijzelf in
Hem noodzakelijk maakt.
Daarom sprak de mens Jezus de woorden: "Niemand komt tot de Vader
dan door Mij!" - want Ikzelf sprak tot hen door de mens Jezus. Ikzelf
wilde erkend worden in Hem Die Mij slechts voor de tijd van Zijn aardse
levenswandel als een stoffelijke omhulling diende, die Ik echter ook in
het geestelijke rijk behield om voor al Mijn schepselen een zichtbare
God te kunnen zijn. Ik Die toch Geest was en ben van eeuwigheid tot eeuwigheid
en Die als zodanig niet voor de geschapen wezens zichtbaar was.
Om voor u mensen nu een zichtbare God te kunnen zijn koos Ik Mij een vorm,
en volbracht in deze vorm het verlossingswerk. Dus moet u ook die vorm
respecteren waarin Ik schuilging, dan heeft u reeds de juiste weg ingeslagen
tot Mij, uw Vader van eeuwigheid. Maar zonder Jezus Christus laat Mijn
tegenstander u niet vrij - omdat u hem dan nog toebehoort door uw wil.
Amen |