BD.4840
16 februari 1950
Kerkelijke geboden
Er zijn voor u geen bijzondere voorschriften door Mij gegeven
hoe uw instelling moet zijn tegenover de door mensen gegeven kerkelijke
geboden. Alles wat u uit vrije wil doet, wordt door Mij gewaardeerd, alles
wat u echter uit dwang verricht - uit vrees voor straf of ook uit gewoonte,
heeft voor Mij geen waarde. Wat mensen u laten doen dat moet u ook door
mensen betaald worden. Nooit moet echter de mensen een beloning van Mij
in het vooruitzicht worden gesteld, die Ik Zelf niet heb beloofd.
Ik kan niet iets goed keuren wat geheel in strijd is met Mijn Wil, omdat
Ik de mensen de vrije wil heb gegeven, die echter door geboden - afkomstig
van mensen - wordt aangetast, want een gebod is een dwang die het gebruik
van de vrije wil uitsluit.
Ikzelf heb de mensen slechts een gebod gegeven, het gebod van de liefde
- dat de grondwet is en dat moet worden nageleefd, wil er niet tegen Mijn
eeuwige ordening worden ingegaan. En toch is het gebod van de liefde een
gebod, dat de wil van de mens de vrijheid laat. Er bestaat geen dwang
die hem tot naastenliefde verplicht. De mens wordt ook niet door Mij gestraft
als hij het gebod van de liefde niet nakomt, maar hij bestraft zichzelf
omdat hij het enige middel dat voor hem de verlossing betekent uit een
situatie waarbij hij door eigen schuld gekluisterd is, veronachtzaamt.
Ik gaf de mensen het gebod van de liefde dat uit vrije wil wel of ook
niet kan worden vervuld. Maar de mensen voegden er nog geboden aan toe
die Ik niet kan goedkeuren. Want ze worden niet gedragen door de liefde
tot de medemensen, maar ze zijn alleen maatregelen om de macht te versterken,
daar het vervullen van deze geboden voorwaarde was om tot een organisatie
te behoren die het recht voor zichzelf opeist - de door Mij gestichte
ware kerk van Christus te zijn. Daarmee zet ze de mensen onder dwang die
nu geloven dat, wanneer zij zich niet aan deze geboden houden - zich bezondigen.
Daarom komen zij nu deze geboden nauwkeurig na en richten er hun hele
aandacht op, terwijl ze echter Mijn gebod van de liefde veronachtzamen.
De liefde kan zich alleen in vrijheid ontplooien. Liefde en dwang zijn
tegenstrijdig met elkaar. En daarom kan Ik ook in het vervullen van kerkelijke
geboden geen liefde tot Mij bemerken, zolang ze traditioneel worden nagekomen,
en dat als een ge-tuigenis tegenover het gezag dat zulke geboden heeft
uitgevaardigd. Bovendien zijn deze geboden ook niet geschikt de liefde
tot Mij te laten ontvlammen omdat zij Mij voorstellen als een Wezen behept
met menselijke zwakheden, Dat gehoorzaamheid, eerbied en erkenning eist
- terwijl Ik alleen maar bemind wil zijn.
Voor Mijn Ogen is niets zonde dan alleen dat, wat in strijd is met de
liefde tot Mij en de naaste. Net zomin als zij ook voor Mij nooit verdiensten
verwerven die de genoemde kerkelijke geboden onderhouden, omdat het geboden
zijn die ze plichtmatig moeten vervullen. De vrije wil echter moet kiezen
uit liefde voor Mij en daarom hebben de mensen geen geboden nodig behalve
het Mijne dat Ikzelf hun gaf, in het besef van de zegen die er uit voortkomt
voor iedere mens die ze vervult.
Amen |