BD.8790
25 maart 1964
De onvergankelijkheid van de menselijke ziel
Dit ene mag u als heel zeker aannemen, dat een vergaan van
u niet meer mogelijk is omdat Mijn Kracht eeuwig onverwoestbaar is en
u toch de uitstraling van Mijzelf bent. En als u dat weet, dan zou u ook
alles moeten doen om dit onvergankelijke ook een heerlijk lot te bereiden,
want dit ligt alleen in uw macht en hangt van uw wil af. Want u bent wezenlijke
schepselen die gevoelig zijn en daarom zowel kwellingen als ook zaligheden
zullen ervaren, die echter verminderd en verhoogd kunnen worden, wat uw
eigen zaak is tijdens uw leven op aarde.
Omdat u geen preciese kennis bezit over de toestand na uw lichamelijke
dood, omdat u niet eens overtuigd bent van een voortleven van uw ziel,
laat u het voornaamste in uw aardse leven achterwege en u denkt niet aan
datgene wat verder leeft, uw ziel. Die u dus in een zalige staat zou kunnen
en moeten brengen als u aan het doel van uw leven op aarde zou willen
beantwoorden. Het feit van een verder leven na de dood kan u niet bewezen
worden, om u niet tot een gedwongen manier van leven aan te zetten en
toch zou u met de juiste wil uzelf de innerlijke overtuiging kunnen verschaffen
dat u onvergankelijk bent, maar dat wel alleen als u in een God en Schepper
gelooft, Die alles liet ontstaan wat voor u is waar te nemen.
Want beschouwt u ieder afzonderlijk scheppingswerk nader vanuit een ontvankelijk
gemoed, zo kunt u reeds daarin kleine wonderwerken ontdekken, die een
uitermate wijze Scheppersmacht heeft laten ontstaan. En u zou ook meestal
hun doelmatigheid inzien, die weer Zijn Liefde en Wijsheid aantoont. En
zodoende moet u tot de conclusie komen dat er een volmaakte Godheid is
uit Wie alle scheppingswerken zijn voortgekomen. Er zijn aan de volmaaktheid
zowel wat plaats als tijd betreft geen grenzen gesteld, dus zijn ook de
voortbrengselen van de Wil van de hoogst volmaakte macht van de Schepper
om vorm te geven, in overeenstemming met Zijn goddelijke wet. Ze zullen
ook onbegrensd zijn, ze zullen niet ophouden te bestaan, wat echter altijd
alleen de geestelijke scheppingen betreft waartoe ook de ziel van de mens
te rekenen is. Ook alle scheppingen zijn geestelijke substanties die alleen
maar tijdelijk zichtbaar blijven, maar ook na hun ontbinding geestelijk
verder bestaan behalve dat door Mijn Wil de uiterlijke vorm vergaat, juist
om dat wat zich daarin bevindt vrij te geven.
En zo moet u ook uzelf - uw aardse lichaam beschouwen als een slechts
uiterlijke vorm, die maar tijdelijk bestaat, die het geestelijke - uw
eigenlijke ik bevat, tot de dood dat uiterlijke omhulsel ontbindt en het
geestelijke daarin, dat echter onvergankelijk is en blijft, vrij geeft.
Reeds in het aardse leven kunt u, mensen gestage veranderingen bij de
scheppingswerken waar nemen en nagaan, en steeds zal uit het enen het
andere ontstaan - en alles wat u ziet heeft geestelijk leven in zich.
Het bevat een parikeltje geestelijke substantie, dat zich gestadig vergroot
en dus steeds grotere scheppingswerken bewoont, tot tenslotte al deze
partikeltjes zich verzameld hebben in de menselijke ziel. Ze werden
eens als een ik-bewust wezen door Mij geschapen en zijn daarom ook eeuwig
onvergankelijk.
Als u, mensen het overtuigd geloof aan de onsterflijkheid van uw ziel,
aan een voortleven na de dood zou kunnen verwerven, dan verandert u ook
zeker uw levenswandel. Dan zult u uw ziel een draaglijk of zelfs een zalig
lot willen bereiden en niet zonder verantwoording door het leven gaan.
Maar de mensen zijn in de eindtijd totaal onverschillig. Wat zij niet
weten wensen zij ook niet te kennen en nemen genoegen met wereldse prullaria.
Zij schenken alleen aandacht aan wereldse zaken en streven niet naar geestelijke
kennis. En dan kan de ziel zich na de dood van het lichaam alleen maar
in een deerniswekkende toestand bevinden, en moet zij grote ellende doorstaan
in het rijk hierna.
Deze kwellingen zou Ik u, mensen willen besparen. Ik wil u steeds weer
opheldering geven over uw onvergankelijkheid die alles verklaart wat u
overkomt. Want Ik wil u ertoe brengen na te denken over vanwaar u komt
en waarheen u gaat. En als u plotseling de aarde verlaten moet, als uw
ziel onverwachts van uw lichaam gescheiden wordt, dan zal het nauwelijks
tot haar doordringen dat zij het hiernamaals binnengegaan is, want zij
bevindt zich alleen in een andere omgeving en weet niet dat ze overleden
is. En haar geestestoestand zal des te meer verduisterd zijn hoe onverantwoordelijker
ze haar leven leidde op aarde. Maar toch bestaat ze en kan voor eeuwig
niet meer vergaan. De weg zal eindeloos zijn die zij dan nog moet gaan
om slechts een beetje geestelijk verlicht te worden zodat ze een sprankje
inzicht krijgt, naar gelang haar houding in het rijk hierna tegenover
het Goddelijke gebod van de liefde, dat ook moet worden nagekomen in het
hiernamaals, voordat haar een lichte verbetering en een klein beetje inzicht
geschonken kan worden. Heeft zij echter reeds op de aarde het geloof in
het voortbestaan van de ziel na de dood van het lichaam verworven, dan
zal zij ook haar leven op aarde met meer verantwoordelijksbesef leiden
en haar weg omhoog in het rijk hierna kan sneller en gemakkelijker verlopen.
Amen |