BD.3316
3 november 1944
Verschillende sferen in het geestelijke rijk
Onmiddellijk na de lichamelijke dood verlaat de ziel het lichaam
en zweeft weg in het geestelijke rijk, dat naar mate van haar staat van
rijpheid heel dichtbij of ver van de aarde verwijderd kan zijn. Dit is
niet ruimtelijk te verstaan, maar de afstand ontstaat door de verschillen
tussen de sferen ofschoon zij alle tot het geestelijke rijk behoren omdat
zij terzijde van en buiten de aardse stoffelijke wereld liggen. En de
ziel die nog onrijp is heeft wat de tijd betreft nog een zeer lange weg
te gaan voordat zij in de lichtsferen aankomt.
Een voltooide ziel daarentegen is bliksemsnel na haar lichamelijke dood
in deze sferen overgeplaatst. Want zij heeft geen tijd of ruimte nodig
om de afstand van de aarde tot in de lichtsferen te overwinnen. Alleen
de kracht die haar staat van rijpheid de ziel heeft opgeleverd is voldoende.
De onvolkomen zielen daarentegen kunnen niet zo snel van de aarde scheiden,
omdat zij nu eenmaal krachteloos zijn om zich opwaarts te verheffen en
tevens ook nog met hun zinnen aan aardse dingen gebonden zijn. Zij willen
niet van de aarde weg en blijven zodoende nog een lange tijd in de nabijheid
van de aarde, meestal in de omgeving die zij tijdens het leven hun eigendom
noemden.
Derhalve ervaren zij ook niet direct de overgang van het aardse naar het
geestelijke rijk, want hun verblijfplaats lijkt hun nog aards - en daarom
zijn die zielen zich vaak niet bewust dat zij geen lichamelijk leven meer
hebben. Maar het bevreemd hen dat zij met de mensen op de aarde geen contact
meer kunnen maken, dat zij zich geen gehoor kunnen verschaffen en er door
de mensen geen aandacht aan hen wordt besteed. En deze situatie brengt
hen langzaam tot het besef van hun toestand waardoor zij inzien dat zij
niet meer op de aarde zijn, maar aan gene zijde ervan in het geestelijke
rijk.
Zolang de ziel nog werelds gezind is kan zij zich echter niet uit deze
omgeving verwijderen. Zij is nog aan de aarde gebonden en dit is voor
haar een pijnlijke toestand, want alles wat zij begeert of denkt te bezitten
is voor haar onbereikbaar. Zij moet nu langzaam haar verlangen naar aardse
goederen overwinnen en pas als dat haar gelukt is, verwijdert zij zich
meer en meer van de aarde. De sferen nemen andere vormen aan en het oog
ziet geen aardse maar geestelijke scheppingen, al naar de staat van rijpheid.
van de ziel. Het geestelijke oog van de ziel is in staat geestelijke dingen
te aanschouwen die het onvolkomen wezen niet kan zien ofschoon die toch
aanwezig zijn.
Overlijdt echter een rijpere ziel op aarde, dan is zij direct in staat
in het geestelijke rijk haar omgeving te onderscheiden, omdat het geestelijke
oog deze bekwaamheid heeft ingevolge de rijpheid van haar ziel. Zo'n ziel
zal ook zielen herkennen die haar ontmoeten in het hiernamaals, terwijl
omgekeerd de onrijpe zielen dat niet kunnen. Zij herkennen alleen zielen
die evenzo in de duisternis verkeren, die zich dus in een zelfde onvolkomen
toestand bevinden. Maar lichtvolle wezens zijn voor hen onzichtbaar en
zelfs als die hen benaderen en hun licht verhullen - herkennen zij deze
niet.
Het geestelijke oog opent zich pas bij een bepaalde graad van rijpheid,
dan echter is er ook licht om de zielen, terwijl geestelijke duisternis
die zielen omringt die niets schouwen kunnen omdat bij hen het geestelijke
gezichtsvermogen nog gesloten is. Maar aardse dingen staan hun door hun
verlangen er naar zichtbaar voor ogen, het zijn echter maar hersenschimmen
die in werkelijkheid niet bestaan, maar hun door het verlangen van de
ziel verschijnen en net als schaduwbeelden vergaan zodra de ziel ze wil
pakken en gebruiken. Want door hun vergankelijkheid moet de ziel inzien
dat zij iets hogers moet nastreven dan aards vergankelijke goederen. Zolang
dus de ziel nog zulke dingen begeert zullen de lichtwezens haar ook niet
benaderen, want materieel gezinde zielen schenken aan de woorden van de
lichtwezens geen gehoor, als dezen hun het evangelie willen brengen. Aan
hen kan in deze toestand alleen door het gebed van een mens hulp worden
gebracht, dan pas keren zij zich van de materie af en zoeken in het geestelijke
rijk er iets anders voor in de plaats.
En dan komen hen ook hulpvaardige wezens tegemoet die hen onderrichten
en hun de weg naar Boven wijzen. En hoe gewilliger zij de onderrichtingen
van de lichtwezens aannemen, des te eerder wordt hun het geestelijke oog
geopend en zijn zij aan de duisternis ontrukt. Zij zijn dan in sferen
binnen gegaan waar zij licht mogen uitstralen. Zij hebben dan de weg afgelegd
die kort maar ook een zeer lange tijd kan duren, al naar de hardnekkigheid
waarmee de ziel de stoffelijke goederen nastreeft en die hen zolang aan
de aarde bindt totdat deze begeerten overwonnen zijn. Pas dan zullen zij
door de lichtwezens vertrouwd worden gemaakt met de zuivere waarheid om
dan in het hiernamaals te kunnen werken voor het rijk van God, waarin
de ziel haar kennis nu doorgeeft aan behoeftige zielen die nog in de duisternis
van geest verkeren.
Amen |