BD.5365
15 april 1952
Het weerzien in het hiernamaals - Graad van voltooiing
Het is een ongelooflijk zalig moment wanneer de ziel van
de aarde scheidt, en ingaat in het lichtrijk. In sferen waarin er niets
slechts meer is, waar de ziel door een golf van zalig makend licht omvangen
wordt. Waar overschone wezens haar benaderen en haar een mate van liefde
betonen die haar bijna overweldigt. De lichtuitstralingen zijn aan haar
graad van rijpheid aangepast, dus steeds in die mate dat ze wel onvoorstelbaar
gelukkig stemmen maar de ziel niet verteren, wat een overmaat aan licht
die de ziel nog niet in staat is op te nemen, wel zou kunnen. In oneindige
verten ziet zij de wonderbaarlijkste scheppingen, want haar geestelijk
oog is nu geschikt geestelijke scheppingen te kunnen aanschouwen, die
niet stoffelijk meer zijn maar zich toch net zo werkelijk aan haar vertonen
en dus geen zelfbedrog zijn.
En temidden van deze schoonheid die haar oog aanschouwt vindt zij haar
geliefden die haar vooraf zijn gegaan in die graad van rijpheid, dat het
lichtrijk hen kon opnemen. Voor mensen is de zaligheid van zo'n weerzien
niet in te denken, maar in het geestelijke rijk is de ziel in staat diepere
indrukken in zich op te nemen zonder te vergaan. En zij ervaart bewust
de zaligheid die God haar bereidt, en zingt Hem in haar hart lof en dank
toe, net als ze trouwens, als het lichtrijk haar vaderland is geworden,
in liefde ontbrandt tot de Vader, Die haar al deze zaligheden heeft bereid.
Het samenwerken met zielen met dezelfde graad van rijpheid, verhoogt haar
kracht en haar wil tot werkzaam zijn. Deze richt zij nu op de zielen die
nog ver onder haar staan om hen te helpen dezelfde zaligheid te bereiken.
En zij neemt nu in erbarmende liefde hen aan die haar na stonden op aarde
en die nog in lagere sferen vertoeven. Die op aarde door ongeloof en liefdeloosheid
in hun geestelijke ontwikkeling zijn achtergebleven - en daarom in het
hiernamaals nog ongelukkig in duisternis of in schemerlicht vertoeven.
Zij zelf herkent deze zielen wel en zij kan hen ook naderen en hun haar
hulp aanbieden, maar zijzelf wordt door deze zielen niet herkend en daarom
wordt haar hulp ook vaak afgewezen.
Maar de liefde en het geduld van een lichtziel doen onophoudelijk moeite
voor deze zielen en bereiken ook eens dat zij invloed krijgt. Haar eigen
zaligheid die zij vanuit de voortdurende liefdeuitstraling van God ontvangt,
de onvergelijkelijke scheppingswerken in het lichtrijk en het samenwerken
met wezens met wie zij in gelukkig makende liefde verbonden is, geeft
haar gedurig nieuwe kracht om verlossend werkzaam te zijn. Zelf vindt
zij haar geluk daarin: te geven wat zijzelf ontvangt. Steeds wordt haar
verlangen naar God vervuld en zij kan niet anders dan dat ze eveneens
gelukkig wil maken.
De heerlijkheid van het lichtrijk aan de mensen op deze aarde te beschrijven
is onmogelijk, omdat alleen een voltooide ziel de volheid van licht verdragen
en daardoor ook de zaligheid begrijpen kan, waarvan de nog onvolkomen
mens geen begrip heeft. Een ding moet en kan hij geloven, dat er een weerzien
is in het rijk hierna. Dat de dood niet het einde is van het eigenlijke
leven van de ziel en dat deze zielen elkaar herkennen, als een bepaalde
graad van rijpheid bereikt is die echter veel zielen nog niet bezitten.
en daarom kan het voor veel zielen lang duren voordat zij het geluk zich
te verenigen met hun geliefden ervaren. Maar het verlangen er naar is
vaak een reden om opwaarts te streven. De liefdekracht van de zielen is
voortdurend bezig zielen uit de diepte te verlossen en hen te helpen zalig
te worden, hen te helpen het rijk binnen te gaan waar stralend licht hen
omringt, waar zij God kunnen aanschouwen en waar alle nood ten einde is.
Amen |