BD.6312
15 juli 1955
Het weerzien in het hiernamaals
U, mensen kunt er van overtuigd zijn dat er een weerzien is
in het geestelijke rijk. Maar of een weerzien met uw geliefden u al is
vergund direct na uw scheiden van deze aarde, hangt af van de graad van
rijpheid waarin uw eigen ziel zowel als de zielen van uw geliefden zich
bevinden. Want waar deze graad nog niet zo hoog is dat een geestelijk
schouwen mogelijk is, moet deze eerst bereikt worden - wat ook nog lange
tijden kan duren.
Pas bij een bepaalde graad van rijpheid is de ziel in staat geestelijke
indrukken in zich op te nemen. Zij moet dus zelf in het licht staan om
te kunnen herkennen wie haar nadert. Ofschoon ook een ziel in een lagere
graad van rijpheid zich omgeven weet door wezens, die zij echter niet
kan herkennen zolang haar het geestelijke vermogen om te zien ontbreekt.
De zaligheid van de wezens bestaat echter nu daarin, dat ze hun hart kunnen
uitstorten bij hen met wie ze op aarde nauwe banden hadden. En daarom
zullen de zielen die zich reeds als gevolg van hun rijpheid in het licht
bevinden altijd dicht de hunnen kunnen naderen en wel, om of met gelijk
rijpe wezens van gedachten te wisselen, of om de nog zwakke zielen te
helpen hogerop te komen.
Dus zullen de rijpere zielen in staat zijn de zwakkere zielen te herkennen,
maar niet omgekeerd, omdat de zwakke zielen moeten worden aangespoord
te streven naar het licht, terwijl ze niet door bewijzen daartoe mogen
worden gedwongen. Want het zou altijd een bewijs zijn als haar een lichtziel
nadert, die zij herkent als iemand met wie ze op aarde verbonden is geweest.
En zo is dus de vreugde van het weerzien ook weer een genadegeschenk dat
hoort bij het rijpe geestelijke, dat daar onuitsprekelijk gelukkig over
is en nu van zijn kant alles doet om de nog onrijpe zielen evenzo te helpen
dit geluk te bereiken. Deze zielen spannen zich op de meest liefdevolle
wijze voor hen in en laten niet na hen voortdurend aan te sporen, maar
altijd voor hen nog onherkenbaar omdat zij hen in gelijke omhulling en
in het zelfde kleed naderen. Het verlangen naar zielen waar ze nauwe banden
mee hadden trekt dezen ook aan en kan nog een enorme impuls zijn. En is
het moment van herkenning aangebroken, dan zijn de zielen oneindig dankbaar
en gelukkig.
Dan pas herkennen zij de zorg die naar hen is uitgegaan, en zij nemen
nu op dezelfde manier de zorg op zich voor de zielen die nog in het duister
smachten. Ze helpen ook hen weer om opwaarts te gaan, want iedere ziel
verlangt naar hen met wie ze eens verbonden was op aarde.
Er is een weerzien, maar het tijdstip dat dit mogelijk is, bepaalt u zelf.
Hebt u nu op aarde al dit zekere inzicht bereikt, dan zult u ook alles
doen om die graad al minstens op aarde te bereiken die u het binnengaan
in de lichtsferen toestaat. U zult dan ontvangen worden door hen van wie
u houdt en die in staat zijn u direct terug te kennen, of, dat u zonder
door hen herkend te worden zich met hen in verbinding kunt stellen, om
dan reeds voor deze zielen met uw verlossingsarbeid te kunnen beginnen.
Zorg er in ieder geval voor dat u niet geheel zonder inzicht van de aarde
heengaat. Zorg er voor dat u reeds de weg tot God in Jezus Christus gevonden
heeft, dat u verlost door Hem kunt ingaan in het geestelijke rijk. Dan
zal dat binnengaan u alleen al zaligheden schenken, die bestaan uit de
vreugden van het weerzien.
Soms zult u echter lang moeten wachten, als u zelf die rijpheid niet bereikt
op aarde. Want alles kan alleen in het kader van de wettelijke orde plaatsvinden
en de vrijheid van uw wil moet ook in het geestelijke rijk geëerbiedigd
worden - opdat u eens zalig zult worden.
Amen
|