BD.7490
30 december 1959
Het lot van de ziel na de dood van het lichaam
Na uw dood betreedt u een geheel andere wereld dan deze aarde
is. Maar uzelf heeft op aarde de mogelijkheid die wereld voor uzelf te
vormen, zodat u er gelukkig in bent en u haar graag inruilt tegen het
leven op deze aarde. want u kunt voor uzelf een rijk van licht en zaligheid
verwerven, als uw levenswandel op aarde daarmee in overeenstemming is.
Als u ijverig aan uw ziel arbeidt en u rijkdommen verzamelt voor het geestelijke
rijk, zal de wereld die u betreedt voor u waarlijk een rijk van zaligheid
zijn. U zult niet kunnen ophouden te jubelen en u te verwonderen, en nimmermeer
zou u op de aarde willen terugkeren - als dat eventueel mogelijk zou zijn.
U schept u dus zelf de wereld die u opneemt na uw lichamelijke dood, daarom
moet u bewust van uw verantwoording ook op deze aarde uw leven voortzetten.
Want u kunt net zo goed een rijk binnen gaan dat duister of woest is,
waarin u zich ongelukkig voelt en dat u toch niet naar believen verlaten
kunt, omdat dat het rijk is dat uw vrije wil nastreefde zolang u op de
aarde verbleef. Dit was eveneens uw eigen zaak, het was uw eigen wil,
want uw levenswandel op aarde was zo dat die u geen ander lot in het geestelijke
rijk kon bezorgen dan ellende en gebondenheid in duisternis en zwakheid.
In ieder geval betreedt u een andere wereld, een rijk dat geestelijk is,
waar u alle aardse goederen bent kwijtgeraakt, waar u alleen dat aantreft
wat u zich geestelijk op aarde heeft verworven. En daarom is het een vreselijke
toestand voor die zielen die zich helemaal geen geestelijke bezittingen
verwierven. Die zich alleen maar om aardse goederen bekommerden en daardoor
geheel arm het rijk hierna ingaan, waar het nu buitengewoon moeilijk is
geestelijke goederen te verkrijgen hoewel ook dit niet onmogelijk is.
Want de wereld waarin zij dan verblijven is van dien aard, dat ze in overeenstemming
is met de toestand van hun ziel. Ze kan voor de ziel een onophoudelijk
dwalen door woeste, dorre plaatsen betekenen waar zij niet het geringste
aantreft om de honger die zulke zielen gedurig kwelt, te stillen, en die
alleen gelenigd kan worden door gaven van liefde en door toevoer van kracht
- die door liefdevolle voorspraak voor zulke zielen verkregen wordt. Daarom
is die ziel al zalig te noemen die, over het graf heen, door goede gedachten
wordt gevolgd en die op de aarde goede werken heeft gedaan - die haar
nu volgen in de eeuwigheid.
Maar arm en behoeftig zijn de zielen die op aarde zich geen liefde verworven
hebben bij hun medemensen, die door meer kwade gedachten gevolgd worden
en die onder die gedachten veel meer te lijden hebben dan u mensen op
aarde zich dit voor kunt stellen.
Daarom, zend alle gestorvenen steeds goede gedachten achterna in de eeuwigheid,
erbarm u over hen en help hen opdat zij uit de eerste duisternis een uitweg
vinden. Laat hen niet alleen maar denk vaak aan hen; dat zal hun goed
doen en dat zullen zij als een toevoer van kracht ervaren, als een steuntje
op de weg naar Boven - die zij alleen maar kunnen opgaan als hun die hulp
gegeven wordt.
De ziel schept zichzelf haar eigen lot, dat haar daarginds wacht in het
rijk hierna en u moet er op aarde al voor zorgen dat het een aangenaam
gelukkig lot is. U moet zich derhalve geestelijke rijkdommen verwerven
en zonder ophouden werken van liefde verrichten, want die zullen u steeds
begeleiden door de gehele eeuwigheid en voor u een geestelijke rijkdom
uitmaken waarmee u voor uw eigen geluk en dat van andere zielen kunt arbeiden.
Waarmee u altijd uw zaligheid kunt verhogen en andere zielen kracht kunt
doen toekomen, zodat zij ook hun schreden opwaarts richten en eens zalig
kunnen worden. Al zal deze gang naar Boven veel kracht en moeite van hen
eisen, toch is het met goede wil voor hen mogelijk Boven aan te komen,
als zij maar hulp vinden bij hun geestelijke vrienden en bij die mensen
op aarde die biddend ten gunste van zulke zielen altijd aan hen denken.
Amen |