BD.2776
16 juni 1943
De wil om te leven - De angst voor de dood
De wil om te leven is in de mens sterk ontwikkeld zolang
de rijpheid van zijn ziel nog minimaal is. Dat is ook begrijpelijk, omdat
de wereld hem nog gevangen houdt en hem de vervulling van zijn wensen
voortovert. Het aardse leven op te geven schijnt de mens uitermate moeilijk
toe, zolang hem het geloof aan een voortleven ontbreekt, want dat geloof
zou hem het hele aardse leven anders laten bekijken. Een diep gelovig
mens beschouwt het aardse leven alleen als een tussenstation, als een
school die hij moet doormaken om opgenomen te worden in het rijk - waar
het eigenlijke leven begint.
En dit geloof zal hem ook kracht geven alle hindernissen en moeilijkheden
van het aardse leven te overwinnen, terwijl de ongelovige hieraan vaak
ten onder gaat en zelfmoord pleegt in de veronderstelling, het zelf voorgoed
te kunnen eindigen. Wie een sterk geloof heeft zal onbekommerd zijn leven
opgeven als het van hem geëist wordt, want zijn aandacht is gericht
op het leven na de dood van het lichaam. Zijn verlangen is op de vereniging
met God gericht omdat hij voelt, dat dit eerst het ware leven is.
Zolang de mens aandacht aan de aarde en haar goederen schenkt, is zijn
streven naar Boven belemmerd. Hij begeert dan met al zijn zinnen de wereld,
en de gedachte eens van deze wereld te moeten scheiden is voor hem ondraaglijk
en neerdrukkend. En daaruit kan zijn geestesgesteldheid worden afgeleid,
want de liefde tot de wereld doet afbreuk aan de liefde tot God en de
naaste. Dan is de mens nog onrijp van geest, dat wil zeggen: zijn ziel heeft zich
nog niet verenigd met de Geest die in hem is. Hij heeft geen inzicht
en weet tegenover het aardse leven hier niets beters voor in de plaats
te stellen.
Dan is hem ook iedere gedachte aan de dood verschrikkelijk, want hij wil
leven om te genieten. Hij begeert de goederen van de wereld en slaat geen
acht op geestelijke rijkdom. En dit lage geestelijke peil kan niet genoeg
worden afgekeurd, want de mens is in het grootste gevaar zijn leven te
verliezen, lichamelijk zowel als geestelijk.
Als hij het aardse leven niet benut om contact met God te krijgen, leeft
hij zijn leven tevergeefs. Hij moet daarom zijn aardse leven eerder opgeven
om niet onder te gaan in liefde tot de materie, wat gelijk staat met de
geestelijke dood. Want het aardse leven is een genade, het is de mens
gegeven tot een hogere ontwikkeling van de ziel en om de allesoverheersende
materie te overwinnen - om in het geestelijke rijk binnen te kunnen gaan.
Zolang voor de mens de gedachte aan de lichamelijke dood ondraaglijk is,
slaat hij geen acht op zijn eigenlijke aardse opdracht. De wil om te leven
is in hem zo sterk dat hij alles doet om dat leven te beschermen, om het
te verlengen in de overtuiging dit zelf in de hand te hebben, maar toch
met een gevoel van vrees het te vroeg te moeten verliezen. Pas wanneer
hij rekening houdt met het rijk hierna en gelooft aan een voortleven van
de ziel, begint de dood zijn verschrikking te verliezen. Want dan ziet
de mens pas dat zijn aardse leven maar een voorstadium is van het eigenlijke
leven - dat eeuwig duren zal.
Amen |