BD.4887
1 mei 1950
Het berouw van de zielen die Goddelijke genadegaven afwezen
In grote geestelijke nood bevinden zich die zielen die Ik
door Mijn woord benaderd heb, dat zij echter niet accepteerden als de
Stem van de Vader. Want het vermogen iets te doorzien hebben ze, alleen
ontbrak hun de wil tot ernstig onderzoek. Eens echter komen deze zielen
tot inzicht en dan is hun berouw overgroot een kostbaar genadegeschenk
van Mij niet benut te hebben, en hun zelfverwijten zijn kwellingen die
niet te beseffen zijn.
Wie nu Mijn genadegave aangeboden krijgt is in zekere zin geroepen tot
geestelijke werkzaamheid, omdat Ik de rijpheidsgraad van ziel ken van
hem die Ik wil helpen hogerop te komen. Hij is in staat te begrijpen zodra
hij bereid is in de waarheid te leven. Hij staat dus nu op een tweesprong:de
eeuwige waarheid tegemoet te gaan, of op de wereld in te gaan. En nu hangt
het van zijn eigen wil af welke weg hij kiest. Welnu, een mens die twee
wegen kan gaan en dan uit zichzelf de verkeerde gaat, moet zich daarvoor
verantwoorden.
De ziel voelt dit onbewust en verkeert daarom in moeilijkheden, ofschoon
het verstand van die mens zulke bedenkingen zou willen verjagen. Het zijn
grote geestelijke tegenstrijdigheden die de ziel en het verstand elkaar
nu toespelen, en zalig is de mens als de ziel het verstand nog kan overtuigen
van zijn dwaling voor het te laat is, dat wil zeggen: eer de ziel het aardse omhulsel
verlaat. Maar gaat zij het geestelijke rijk binnen in een toestand van
duisternis, dan brandt het licht dat haar had moeten verlichten als een
vuur in haar. Want het bewustzijn dat zij uit eigen schuld in duisternis
verwijlt blijft haar ook in de toestand van onwetendheid bij, omdat zij
het licht ontvlucht is, dat Mijn liefde en genade voor haar ontstak. Zij
leeft dan in grote pijn, verlangend naar deze genadegave, die haar niet
meer kan worden geschonken wanneer die eens versmaad werd.
Weliswaar kan zij van de kant van de lichtwezens worden geholpen, maar
die zien er voor de ziel niet uit als brengers van het licht. Doch de
vrije wil van de ziel wordt op een andere wijze op de proef gesteld, zodat
zij weer op een tweesprong staat: of de lichtzielen te volgen, die zich
weliswaar niet laten herkennen, maar haar helpend willen bijstaan, of
weer in stijfhoofdigheid te volharden en de hulp van die lichtwezens af
te wijzen.
Zoals op aarde de mens niet gedwongen wordt tot het aannemen van het licht
dat van Boven naar de aarde neerstraalt, zo is ook in het geestelijke
rijk de wil van de zielen doorslaggevend hoe hun instelling is tegenover
de hulp die Mijn eeuwige liefde hun altijd ten deel laat vallen - om hen
opwaarts te leiden.
Op aarde hebben zij Mijn overgrote genadegaven ontvangen in Mijn woord,
dat hun met zekerheid de geestelijke rijpheid oplevert. En daarom is het
onverantwoordelijk geen acht te slaan op Mijn woord, dat hun uit den Hoge
wordt aangeboden, en zich er onverschillig of geheel negatief tegenover
in te stellen. En begrijpelijkerwijze moet het een ziel ten zeerste beklemmen
als zij aan het zekerste middel om het Eeuwige Leven te bereiken geen
aandacht heeft geschonken en nu, in een betreurenswaardige toestand in
de geestelijke sferen vertoeft - waar duisternis heerst en onzaligheid.
Maar het was haar vrije wil, want zij heeft zichzelf door haar wil deze
erbarmelijke toestand geschapen, en moet hem nu verdragen of uit vrije
wil weer een verandering nastreven. Dus iedere gelegenheid benutten die
Mijn liefde en erbarmen de ziel in het hiernamaals nog verschaft, opdat
zij toch nog opwaarts gaat en in het lichtrijk kan ingaan, al is het ook
ná een eindeloos lange tijd. Haar wil alleen bezorgt haar het lot
in de eeuwigheid. Haar wil wekt de ziel tot leven, maar kan ook de aanleiding
zijn tot de geestelijke dood.
Amen |