Banner Ga naar biografie Ga naar voorwoord Ga naar themaboekjes Ga naar links Ga naar register Ga naar Duitse Teksten Ga naar downloads

BD.7932
1 juli 1961

Heeft God de val veroorzaakt?

Ook dat zal u, mensen eenmaal begrijpelijk worden, dat Ikzelf nimmer Mijn invloed uitoefen en ooit uitgeoefend heb op het geestelijke, dat Ik als vrij en zelfstandig naast en buiten Mij geplaatst heb. Want zodra Ik het schiep als een zichzelf bewust wezen, bezat het ook een vrije wil en deze vrije wil was niet in het minst gebonden aan Mijn Wil, aan de aanstraling van Mijn Liefde of aan enige invloed Mijnerzijds. De wil was geheel vrij en kon aan iedere richting de voorkeur geven.

Maar omdat het wezen een vrije wil had, was er ook de garantie dat het eenmaal de staat van schepsel veranderen kon in de staat van "kind", wat zonder de vrije wil ondenkbaar zou zijn geweest. Mijn doel bij de schepping van de wezens echter waren ware "kinderen Gods" dus wezens die zich in hoogste volmaaktheid bevinden, die deze volmaaktheid evenwel zelf bereiken moesten.

Steeds weer zal in u, mensen de vraag opkomen of de gedachte van een afval van Mij , van Mij uit in die wezens gelegd is,of zij als het ware moesten afvallen omdat Ik Mij het doel van "ware kinderen"gesteld had bij het scheppen van wezens. Maar dan zou u ook een vrije wil van de wezens kunnen bestrijden, die echter de oorzaak was en ook de mogelijkheid gaf van een afval. Maar Ik zag van eeuwigheid vooruit hoe Mijn schepselen hun wil gebruikten en kon dus ook het in deze afval gegrondveste doel zien. Doch zowel de afval als ook het doel werd door Mij absoluut niet bepaald. De afval was een gevolg van de vrije wil, hoefde dus niet te gebeuren. Het doel is wederom het uitvloeisel van de vrije wil. Het zal eenmaal bereikt worden, maar over de tijdsduur beslist het wezen weer zelf.

En zo moet dus gezegd worden dat Ik weliswaar van alles op de hoogte ben, dat altijd het een de grondslag is voor het ander en dat er geen afval geweest zou hebben kunnen zijn als Ik de wezens de vrije wil zou hebben onthouden, dat echter dan ook het doel ongegrond zou zijn geworden dat Mij bewoog bij het scheppen van alle wezens en dat alleen hoogste gelukzaligheid betekende, zelfs al gingen er tijden van onmetelijk lijden aan vooraf.

Maar de afval van de wezens in vrije wil was een overtreding tegen Mij en Mijn Liefde. Want het wezen kon ook zijn wil met de Mijne samen laten gaan, het hoefde zich niet van Mij af te wenden en uit de wet van de eeuwige ordening te treden. En ook talloze wezens die bij Mij bleven hebben dat bewijs gegeven en zijn toch onmetelijk gelukzalig. En ook deze wezens worden toegelaten tot het kindschap Gods, als zij de gang door de diepte willen gaan met het doel de gevallen broeders te verlossen.

Het afvallen van Mij was echter niet Mijn werk, niet Mijn Wil; doch ter wille van het hoogste doel liet Ik het gebeuren en leg er steeds weer de nadruk op dat deze wezens het hoogste inzicht hadden, dat het helderste "licht" hen verlichtte en daarom het verkeerd richten van hun wil een verkeerd gebruik van hun wilsvrijheid was, dat dan ook de onzalige toestand als gevolg had. Ik heb deze afval niet verhinderd daar Ikzelf anders de wilsvrijheid niet geëerbiedigd zou hebben, die echter het wezen tot een goddelijk wezen bestempelde, want iets volmaakts is zonder vrije wil niet denkbaar. En zult u eenmaal het doel bereikt hebben een waar kind van God geworden te zijn, dan zal voor u ook Mijn plan van "vergoddelijking" volledig begrijpelijk zijn en u zult ook de afval van de geesten met andere ogen beschouwen, ofschoon het een zwaar vergrijp tegen Mijn Liefde geweest is.

En omdat de wet van de eeuwige ordening onveranderlijk is, kon die vergoddelijking altijd alleen maar overeenkomstig die wet plaatsvinden. Ze kon niet anders bereikt worden omdat alle goddelijke eigenschappen die Ik bij het scheppen in deze wezens gelegd had, in vrije wil moesten worden nagestreefd, wat door de afval van Mij een noodzakelijkheid werd maar ook veel moeilijker was, dan in de staat van volmaaktheid te blijven in vrije wil.

Dat de wezens afgevallen waren en dus zondigden tegen Mij heeft hun ook een uiterst lange toestand van ellende bezorgd, wat nooit zou hebben kunnen gebeuren als Ik Zelf deze afval op een of andere wijze veroorzaakt zou hebben. De volmaaktheid van die wezens kan niet in twijfel getrokken worden en toch vielen zij, wat steeds alleen met de wilsvrijheid te verklaren is, die evenzo een goddelijk genadegeschenk was, dat hun nooit ontnomen zal worden.

Door het proces het gevallen geestelijke terug te voeren, is ook het niet-gevallene de mogelijkheid gegeven tot het kindschap Gods te komen, omdat dit vrijwillig ook de weg door de "diepte" kan gaan omwille van een verlossende missie, dat dus de afval van Mij niet de enige voorwaarde is om het kindschap Gods te bereiken, veeleer heb Ik waarlijk nog andere wegen om de door Mij geschapen wezens tot Mijn kinderen te vormen. De afval was dus niet nodig, maar vanwege de wilsvrijheid mogelijk. En Ik voorzag het van eeuwigheid en kon daarom ook het heilsplan opbouwen met het doel, dat zowel Mij als ook de door Mij geschapen wezens bovenmate gelukkig maakt en dat Ik ook eens zal bereiken. En ook uzelf zult u eenmaal in de staat van hoogste volmaaktheid bevinden en inzien en begrijpen, welk een onmetelijke Liefde naar al Mijn schepselen uitgaat. En dat deze Liefde alleen het goede kan voortbrengen en dus ook het wezen dat door eigen schuld de dood gevonden heeft, weer het eeuwige leven verschaft.

Amen