BD.8910
12 januari 1965
Goed en kwaad - De wet van eeuwigheid
Ook daarover wil Ik u een verklaring geven, want zelfs de
geringste twijfel verhindert u de volgende opvatting; dat van Mij uit
het kwade in het wezen gelegd werd, recht te zetten. Ik heb nimmer het
kwade geschapen, maar Ik wist sinds eeuwigheid dat het kwade in de wereld
van de afgevallen geesten ingang zou vinden.
Ik wist van eeuwigheid dat Ik ook als de herkomst van het kwade zou worden
aangezien, omdat Ik van eeuwigheid af weet met welke leugens Mijn tegenstander
tegen Mij strijden zou om de terugkeer naar Mij tegen te gaan. Maar Ik
stuur de mensen steeds weer een Licht dat hun opheldering over Mijn Wezen
moet geven. En er zullen ook steeds weer lichtdragers van boven naar de
aarde komen om juist deze opvatting recht te zetten.
Mijn Wezen is van eeuwigheid goed en is niet in staat ooit een slechte
gedachte op Mijn voortgebrachte schepselen over te brengen. Dit moet u
eerst gezegd worden, opdat u zelf niet aanneemt met alle slechte eigenschappen
en begeerten door Mij geschapen te zijn. Want eeuwige tijden was u zo
innig met Mij verbonden en u kende in deze staat niets wat tegen het goddelijke
inging. U was van gelijke wil als Ik, zodat u onbelemmerd de Kracht van
Mijn Liefde ontvangen kon en daardoor onbegrensd gelukzalig was.
Toen nu echter Mijn eerst-geschapen geest Lucifer of lichtdrager, van
Mij afviel en dus u allen de wilsproef moest afleggen welke heer u de
voorkeur geeft, toen u zich in vrije wil echt zou moeten uitspreken, moest
u ook zelf kunnen kiezen tussen goed en kwaad. U moest weten dat het kwade
van Mijn tegenstander uitging, terwijl van Mij alleen maar goede gedachten
naar u konden toestromen. Dus Ik gaf u Licht: het vermogen om goed en
kwaad te onderscheiden. En in dit heldere licht zou u hebben kunnen inzien
waar het kwade van was uitgegaan. Ik duldde wel het kwade omdat het nodig
was voor de beslissing van uw wil, maar noem het kwade nooit goed. En
zo ook moest het wezen een begeerte kunnen bevredigen als het daarnaar
verlangde, zelfs al was deze begeerte slecht. Evenzo moest ook het verlangen
om goed te zijn in het wezen aanwezig zijn - en dit moet dus zo begrepen
worden - dat elk verlangen zich ontplooien kan, daar anders een beslissing
niet mogelijk is.
Dat de gevallen wezens alleen een slecht verlangen bevredigen wilden komt
echter niet daaruit voort, dat dit verlangen vanaf het begin uit hen zelf
kwam, veeleer heeft Mijn tegenwoordige tegenstander pas dit verlangen
op zijn aanhang overgedragen. Zodoende moest elk gevoelen voor het wezen
mogelijk zijn, het moest begeerten in zich kunnen opwekken. Toch behoeven
deze begeerten niet van Mij afkomstig te zijn, wat altijd dan het geval
is als deze begeerten slecht zijn, zoals echter ook ieder niet-gevallen
wezen een verlangen heeft, dat zich alleen op het goede richt.
Stel bijgevolg het woord "verlangen" in de plaats van "begeerte"
- dat eigenlijk hetzelfde betekent, en het zal u begrijpelijk zijn dat
elk gevoelen in het wezen van Mij is uitgegaan, maar dat ieder wezen zelf
de richting er van bepaalt. Daarom moet u met alle twijfels, met alle
vragen naar Mij komen en Ik zal u niet in zielenood achterlaten. Ik zal
u opheldering geven die u van boven wordt aangeboden, zodat u ook zelf
van de waarheid overtuigd bent. Want het gaat erom nog veel dwalingen
recht te zetten, ook als u gelooft de waarheid te bezitten. Niets blijft
onveranderd wat naar nog onvolmaakte mensen komt, al is het nog zo puur
van boven uitgegaan.
Daarom openbaar Ik Mij steeds weer opnieuw, om weer de zuivere waarheid
naar de aarde te sturen. Daarom kunt u het ook zonder bedenken aannemen,
wanneer u alles ernstig onderzoekt. Want de zuivere waarheid van Mij moet
de uitwerking hebben dat ze herkend wordt door hen - die met een ernstig
verlangen naar de waarheid - haar aanvaarden.
Amen |