BD.5754
25 augustus 1953
De houding van de verstandsmensen tegenover de gaven van
de Geest
Er zullen steeds mensen zijn die moeilijk te winnen zijn
voor Mij en Mijn leer, omdat zij al te veel een beroep doen op hun verstand,
maar weinig hun hart laten spreken dat Mij eerder herkent dan het verstand.
Want door het verstand tracht Mijn tegenstander zich te laten horen, terwijl
het hart Mij vernemen zal. Ik ben ook wel te herkennen met het verstand,
maar altijd pas dan als het hart Mij al herkend heeft. Van geestesgaven
weet een verstandsmens niets' vermogens, die de mens in zichzelf ontwikkelen
kan, die echter niet gegrondvest kunnen worden op onze organische natuur.
Een verstandsmens bewandelt een andere weg dan een mens wiens geest ontwaakt
is, en omdat beide verschillende wegen gaan zijn ook hun doeleinden verschillend,
lichtvol het ene, duister en onheilspellend het andere doel.
Wanneer mensen de waarheid zoeken door middel van hun verstand, trekken
zij zelf grenzen omdat hun verstand begrensd is, terwijl de geest over
alle grenzen kan vliegen en voor hem ieder gebied ontsloten is. En zo
kan een mens zich nooit wetend noemen die alleen louter verstandelijk
navorst, maar de geest nog niet gewekt heeft. En dat hij een als werking
van de geest verworven weten niet herkennen zal, dat bewijst de onvolmaaktheid
van zijn verstandelijke kennis.
Doch Ik duld hem en zijn geestelijke zwakheid omdat hij dan pas te onderwijzen
is, als hij inziet dat voor hem dat laatste weten toch blijft afgesloten,
als hij beseft hoe weinig hij met zijn verstandelijke kennis kan beginnen,
die hem tenslotte toch onbevredigd laat en die hij niet vergroten kan
al denkt hij nog zo ijverig na.
Want het weten moet hem worden toegezonden niet door mensen, maar door
Mij Zijn God. Hij moet Mij daarom vragen, dan pas neemt hij toe in kennis,
in licht. Dan pas neemt hij wijsheid in ontvangst en niet slechts wereldse
kennis die ontoereikend is.
Hij moet leeg worden om gevuld te kunnen worden, hij moet zich vrij maken
van wereldse kennis om geestelijk weten in ontvangst te kunnen nemen,
hij moet het licht zoeken om het te kunnen vinden. Dan pas zal
Mijn leer hem bewijzen vanwaar zij komt, dan pas zal hij streven naar
Mijn rijk en dan pas zal Mijn Geest kunnen werken en hem een weten overdragen
dat door het hart en verstand wordt aangenomen, omdat het van Mij is uitgegaan.
Amen |