BD.7886
5 mei 1961
Het doordringen in het heelal is niet volgens Gods Wil
De kracht die van Mij en Mijn woord uitgaat zal op uw ziel
overgaan, en u zult de vrede vinden in Mij. Als u bereid bent Mij te dienen,
zal die kracht u ook toestromen om Mijn Wil te vervullen die Ik Zelf in
uw hart leg. U zult denken, willen en handelen volgens Mijn Wil. En zo
kunt u steeds onbezorgd uw weg gaan, Mijn zegen zal u begeleiden. Ik zal
u bij de hand nemen en u zo leiden, zoals het goed is tot zegen voor het
zieleheil van u en uw medemensen. Vertrouw u aan Mij toe en Ik zal uw
vertrouwen waarlijk niet teleurstellen. En of ook uw lichaam die kracht
niet duidelijk bespeurt, de ziel echter ontvangt ze in grote mate en is
dankbaar voor iedere hulp. De ziel komt tot rijpheid en verenigt zich
met haar geest, en deze gaat onverwijld steeds dichter naar de Vadergeest,
en de verbinding met Mij wordt steeds inniger.
En als Ik Mijn kind nu kan aanspreken, dan is dat ook een bewijs van Mijn
tegenwoordigheid en dan moet ook de vrede z'n intrek nemen in zijn hart,
iedere zorg moet van hem zijn weggenomen en dat kind moet alleen nog maar
luisteren naar wat de Vader hem te zeggen heeft: En er is nog veel wat
Ik u zou willen openbaren, want het gaat met rasse schreden het einde
tegemoet. En u zult nog dingen beleven dat u aan Mij en Mijn woord zult
twijfelen. U zult u afvragen, waarom Ik mijn macht niet aanwend als de
mensheid zich aanmatigt in het heelal te willen doordringen. Maar aan
hun voornemens zijn grenzen gesteld en lang zullen zij hun pogingen niet
kunnen uitvoeren, want ook dit handelen verhaast alleen maar het einde,
het
komende gericht.
Ik laat hen begaan, opdat zij steeds weer zullen beseffen dat hun macht
nooit volstaan zal om hun voornemens geheel. en al tot uitvoering te brengen.
Zij hebben zich ln de handen van Mijn tegenstander begeven, die hen steeds
door middel van gedachten zal beïnvloeden en die hun ook een zekere kracht
bezorgt, de echter altijd een noodlottige uitwerking zal hebben op de
mensen en ook op de scheppingswerken, die de tegenstander vernietigen
wil. Het is de tijd van het einde - die door zo'n handelwijze nog maar
weer wordt beklemtoond, want de geestestoestand van de mensen haalt zelf
het einde naderbij. Mijn tegenstander wil het geloof in Mijn bestaan en
Mijn macht vernietigen en die mensen zijn reeds aan hem ten prooi gevallen,
daar zij ieder geloof verloren hebben en zichzelf beschouwen als heren
van de schepping en daarvoor bewijzen proberen te leveren.
Maar zij zullen daar niet veel tijd meer voor hebben omdat zij zelf het
einde verhaasten, omdat zij zelf de wetten der natuur omvergooien en zelf
dus een werk van vernietiging opgang brengen dat de hele wereld aangaat,
evenals alles wat geschapen is in, op en boven de aarde. Het handelen
van de mensen is gericht tegen God en zal ook de daaruit voortvloeiende
uitwerking als gevolg hebben. Ik laat het echter toe dat Mijn tegenstander
raast en woedt, maar de mensen zelf kunnen zich daartegen verweren en
beproeven niet ten prooi te vallen aan zijn heerschappij. De mensen worden
waarlijk steeds op Mij en Mijn macht gewezen en zouden heel goed ook de
weg naar Mij kunnen nemen. Maar hun wil is vrij en daarom hinder Ik hen
niet in hun activiteiten, doch Mijn macht en Mijn Wil openbaart zich ook
aan hen die verantwoordelijk zijn voor de werken, die alle mensen kunnen
nagaan waarmee ze zich verzetten tegen God.
Ook aan hen wordt steeds weer getoond dat een goddelijke macht zich altijd
weer openbaart, die aan hen hun verkeerde denken bewijst. Want Ik tracht
tot aan de dood van het lichaam toe iedere ziel te winnen dat zij weer
terugkeert tot Mij, maar Ik dwing haar niet. En omdat Mijn tegenstander
haar ook niet kan dwingen, werkt hij des te sterker in op alle slechte
eigenschappen in de mens, en hij wint ze voor zijn schandelijk spel, omdat
de heerszucht en de geldingsdrang ongewoon sterk ontwikkeld is bij hen
die niet in Mij geloven. Want dit zijn de kentekenen van de tegenstander.
Het is zijn aard die hij op hen overbrengt. Spoedig echter is zijn tijd
voorbij en spoedig zal ook Mijn macht zich duidelijk openbaren. Maar nooit
zal Ik u zulke kennelijke bewijzen van Mij Zelf geven dat u geloven moet.
Dit moet u steeds weer bedenken, dat Ik van u, mensen een vrij geloof
verlang, dat u door de liefde moet wekken. Dan begrijpt u dat u in de
eindtijd leeft, waarin Mijn tegenstander op ongewone wijze werkzaam is,
tot hij en zijn aanhang gekluisterd wordt.
Amen |