BD.1888
14 april 1941
Teruggang van de vegetatie - Stormen - Noodweer
Het is geen toeval dat de vegetatie van het aardoppervlak
verandert, voor zover dit betrekking heeft op landstreken waar menselijke
bemoeiingen en de menselijke wil hierin beslissend hebben ingegrepen.
Dit geldt in het bijzonder voor wouden (regenwoud) of boomaanplantingen
die aan de vernietigingswil der mensen ten offer vielen, wat niet zonder
invloed op het klimaat en op de gesteldheid van de grond blijft. Zulk
een omhakken van bomen is een groot gevaar voor de mensen als dit te vroeg
geschiedt, dat wil zeggen voordat het geestelijke in de plantaardige scheppingen
gerijpt is tot een verder leven in de volgende vorm. Want dit vroegtijdig
vrij geworden geestelijke verlaat zijn verblijfplaats niet, zonder zich
hiermee in overeenstemming schadeloos gesteld te hebben door de bestaande
levens in de omgeving te bedreigen. Het kan zich in ongebonden toestand
vaak ongewenst uiten, wat van God uit ook niet verhinderd wordt.
De mensen in zulke landstreken zullen onder buitengewone stormen en verwoestingen
te lijden hebben, wat ook de groei van alle planten erg benadeeld. Waar
echter de vegetatie schraal is laten zich ook andere storingen gevoelen.
Daar laat de watertoestand veel te wensen over, dat wil zeggen de oppervlakte
van de aarde verzandt door gebrek aan watertoevoer. Zodanig kunnen deze
landstreken woest en ledig worden, en ofschoon de mensen menen daar geen
invloed op gehad te hebben zijn zij toch de eigenlijke veroorzakers van
de onvruchtbaarheid en dorheid van gehele landstreken. Het gevaar ligt
daarin dat het niet wordt ingezien en dat mensen gedachteloos steeds weer
nieuwe landstreken ten offer laten vallen aan hun winstbejag - wat meestal
oorzaak is van het woest worden van gehele streken.
Wanneer de mens om aards voordeel scheppingen vernietigt is dit een toegeven
aan de macht van het boze. Om geldswaarde grijpt de mens in het goddelijke
scheppingsplan in, dat aan alles zijn bestemming gaf - ook aan de gehele
plantenwereld op het aardoppervlak. Zulk een ingrijpen zal dan ook gevolgen
hebben die hiermee overeenstemmen, ofschoon deze gevolgen een bepaalde
tijd nodig hebben en niet dadelijk te herkennen zijn. Stormen en noodweer
zullen de overhand krijgen, water gebrek zal dus plantenculturen bemoeilijken
wat een teruggang van de vegetatie ten gevolge zal hebben. Tegelijkertijd
is het een beperking van de geestelijke ontwikkelingsmogelijkheden voor
het bestaande, dat zijn verblijf in de plantenwereld volgens zijn graad
van rijpheid nemen wil - maar zodoende daarin gehinderd wordt, wat zich
in steeds nieuwe stormen en noodweer uit.
Amen |