BD.4631
8 mei 1949
De kwellingen van een hernieuwde kluistering in de materie
Met woorden kunnen u de kwellingen niet beschreven worden
die een hernieuwde kluistering in de harde materie voor het geestelijke
betekenen, want het is een toestand die voor het menselijke verstand onbegrijpelijk
is. Het geestelijke ervaart zichzelf als reëel, en toch kan het zijn
wil niet gebruiken waarvan het zich bewust is als bewijs van zijn werkelijk
bestaan.
Het geestelijke is gekluisterd en was oorspronkelijk geschapen als iets
dat vrij kon werken. Daarom betekent nu zijn onmacht, zijn krachteloosheid
en zijn gekluisterde toestand onuitsprekelijke kwellingen voor het geestelijke,
die het veeleer weerstrevend in plaats van gewillig maken zich onder Gods
wil te buigen.
En de mensheid is in het bezit van een vrije wil en gaat deze kwellende
toestand tegemoet. Zij zou nog voldoende tijd hebben dit noodlot van zich
af te wenden, maar deze toestand is door geen enkele voorstelling van
mensen die weten, bevattelijk of duidelijk te maken. Het geloof in een
vergelding en het voortleven van de ziel ontbreekt haar geheel, waardoor
ook met onderrichting niets bereikt kan worden. En daarom is de nood onuitsprekelijk
groot waarin de zielen van de meeste mensen zich bevinden.
Nog is de mens "heer" over de schepping. Hij staat er in zekere
mate boven en kan zich de schepping ten nutte maken naar zijn wil. Maar
eens zal hij zelf weer een stukje schepping zijn, aanvankelijk een dood
onbewegelijk ding dat benut kan worden maar ook onbenut kan blijven voor
ondenkbaar lange tijd. Eens zal hij ver achter staan bij wat hij nu is.
Er zal een eindeloos lange tijd vergaan tot hij zich weer opwaarts ontwikkeld
heeft tot mens, tot het wezen dat met een vrije wil begaafd is en de kracht
bezit deze wil te gebruiken.
Door hoeveel periodes het geestelijke echter moet heengaan, hoeveel kwalen
het moet dulden en welke bezigheden het in gebonden toestand moet uitvoeren
kan een mens niet begrijpen - en is daarom voor hem ongelooflijk. En toch
draagt hijzelf de verantwoording voor het lot van zijn ziel na de dood.
Nog heeft hij de mogelijkheid om werken van liefde te verrichten die dit
bittere lot van hem afwenden, nog heeft hij de gelegenheid kennis te nemen
van Gods wil door het aanhoren van het Goddelijke woord. En als hij deze
wil nakomt verandert het wezen geheel - en maakt hij aanspraak op een
toestand van licht en op de vrijheid na zijn lichamelijke dood. Nog kan
de mens zijn verstand gebruiken en nadenken over zichzelf, Zijn Schepper
van eeuwigheid en zijn aardse levensdoel. En als hij maar wil zal hij
ook kunnen geloven.
God wendt zich met Zijn genade tot alle mensen en geeft hun een duwtje
om de juiste richting in te gaan en de juiste weg te kiezen. Biedt de
mens geen tegenstand dan laat hij zich op de juiste weg zetten, en het
ware doel is hem verzekerd.
Maar God respecteert ook de weerstand, dat wil zeggen: Hij dwingt de mens niet
tegen zijn wil. Maar daartegenover draagt de mens ook de verantwoording
voor zijn ziel, en hij bereidt haar het lot dat uitermate kwellend is.
Zij moet tot haar onuitsprekelijk verdriet de weg van de hernieuwde kluistering
gaan, want de genade van God mag niet afgewezen worden omdat dit ook een
afwijzen van Zijn liefde betekent. Het is derhalve verwijdering van het
geestelijke van God af, in plaats van nadering tot Hem, wat bedoeling
en einddoel van het aardse leven is.
In de eindtijd bewandelen maar weinig mensen de juiste weg. En daarom
is de nood reuze groot en vereist dringend hulp. Daarom moet van de zijde
der dienaren van God op aarde van het verschrikkelijke lot gewag gemaakt
worden dat de menselijke ziel te wachten staat, als zij zichzelf niet
verandert in de laatste tijd voor het einde. Het einde moet hun steeds
weer voorgesteld worden als vlak bij, want de tijd gaat snel en de grootste
inspanning is geboden voor de ondergang nog zielen te redden die zulke
vermaningen en waarschuwingen aannemen, en hun wil naar het goede keren.
Want de dag zal onverwachts komen en ontelbaar veel mensen in het verderf
storten, in de dood, dat wil zeggen: in een gebonden toestand waaruit zij zich
pas na een eindeloos lange tijd kunnen vrijmaken. Mensen, laat u toch
waarschuwen, want het gaat om de eeuwigheid. Het gaat om uzelf, om uw
zielen die in het grootste gevaar zijn en toch nog gered kunnen worden,
als u van goede wil bent.
Amen |