BD.6828
12 mei 1957
Motivatie van de verwoesting en de nieuwe schepping - Hel
- Verbanning
Ik heb medelijden met het meest diep gevallene en steeds
weer gooi Ik het het reddingsanker toe, zodat het weer naar boven kan
komen en iedere ziel, die zich eraan vasthoudt, wordt omhoog getrokken,
want ze toont nu haar wil de diepte te ontvluchten en zal nu ook het erbarmen
van haar Vader van eeuwigheid mogen ondervinden. Maar er is in het domein
van dit meest diep gevallene ook een mate van weerstand tegen Mij, die
geen redding meer toelaat, waarin de wil zich nog niet in het geringst
heeft veranderd en waarin de verharding van de geestelijke substantie
bijna heeft plaats gevonden, waarin er nu geen andere mogelijkheid meer
is om te helpen, dan dit geestelijke opnieuw te kluisteren in de materie.
Ook deze hernieuwde kluistering is een daad van erbarmen van Mijn kant,
omdat zonder deze de ziel nooit weer de hoogte zou kunnen bereiken, waar
van haar de laatste wilsproef wordt gevergd, die haar het eeuwige leven
kan opleveren. De ontwikkelingsgang in het geestelijke rijk moet zich
in Mijn goddelijke ordening voltrekken, er kan geen fase worden overgeslagen
en dit is in het stadium van het ik-bewustzijn op aarde of ook in het
rijk hierna. Steeds is de wil van het wezen zelf bepalend. Wordt deze
nu helemaal misbruikt, dan moet Ik het geestelijke weer binden en het
in de toestand van "je moet" door de scheppingen van deze aarde
laten gaan, omdat Ik niet wil, dat het eeuwig in een toestand blijft,
die uitermate kwellend en ongelukkig is. Het steeds weer nieuw ontstaan
van scheppingen, het voortdurend worden en vergaan in de natuur, heeft
dezelfde betekenis als de onophoudelijke wisseling van de uiterlijke vormen
voor het zich in de positieve onwikkeling bevindende geestelijke, dat
steeds dichterbij komt bij zijn uiteindelijke vorming als mens op deze
aarde. Maar het in de diepste diepten afgegleden, of zich daar al eeuwigheden
bevindende geestelijke, moet - als begin van zijn ontwikkeling omhoog
- in de hardste materie worden ingesloten. Het kan niet in reeds bestaande
scheppingen worden ingelijfd, die al het rijpere geestelijke tot verblijfplaats
dienen. De eerste fase van de kluistering kan niet worden overgeslagen,
integendeel, de ontwikelingsgang moet worden begonnen in de uiterlijke
vorm, die overeenkomt met de ongebroken weerstand tegen Mij, in de harde
materie, omdat dit weer door Mijn wet van de ordening wordt verlangd.
En daarom moeten er na lange perioden steeds weer nieuwe scheppingen ontstaan,
die dit geestelijke opnemen, zoals echter ook scheppingen die ondenkbaar
lange tijden bestaan - harde materie - eenmaal moeten worden opgelost,
om het zich daarin bevindende geestelijke vrij te geven voor een verdere
ontwikelingsgang in verzachte vormen. De perioden zijn zeer lang, waarna
zulke totale verwoestingen en hervormingen van aardse scheppingen zich
afspelen, en meestal is door de mensen de tijdsduur ook niet bewijsbaar
vast te stellen. Tevens ontbreekt hun ook het weten van zo'n ontwikkelingsgang
van het geestelijke, van de eigenlijke bestemming van alle materie en
van de vreselijk kwellende toestanden in het geestelijke rijk, ofschoon
het woord "hel" aan alle mensen bekend is.
Wat echter in werkelijkheid daaronder is te verstaan weten ze niet, daar
anders voor hen ook die totale verandering van de aarde en de scheppingen
ervan geloofwaardiger zou zijn. Maar het zal ook steeds onbewijsbaar blijven
voor de mensen. Een liefdevolle en barmhartige God probeert echter Zijn
schepselen te redden, Hij laat ze niet eeuwig in de duisternis. En Mijn
liefde en erbarmen is Mijn oerwezen, dat eeuwig niet veranderen zal. Mijn
liefde en erbarmen zal eeuwig uitgaan naar Mijn schepselen die in de diepte
zijn weggezonken en steeds weer middelen en wegen vinden hen aan de diepte
te ontrukken. Maar voordat er weer een hernieuwde kluistering volgt, wordt
alles geprobeerd door Mij en Mijn geestelijke medemewerkers, dat de zielen
nog in het geestelijke rijk de weg omhoog nemen, opdat hun dit smartelijke
lot van een hernieuwde kluistering bespaard blijft. Maar de wil van het
wezen kiest zelf en hoe zijn wil is, is ook zijn lot. Maar Mijn heilsplan
wordt ook uitgevoerd en het zal niet zonder succes zijn. Eens zal Ik het
doel bereiken en eens zal ook de duisternis alles hebben prijsgegeven,
omdat Mijn liefde nooit ophoudt en geen wezen deze voor eeuwig kan weerstaan.
Amen |