BD.4973
4 oktober 1950
"Gij zult geen moord begaan"
Het vijfde gebod: "Gij zult geen
moord begaan"
"U zult niet doden". Ook dit gebod wordt vanzelf nagekomen,
als er aan de naaste in liefde wordt gedacht. Want de liefde zal hem nooit
schade berokkenen en nog minder hem naar het leven staan. Het gaat niet
alleen maar om het leven dat de mens op aarde leidt, dat de liefdeloze
mens hem wil ontnemen, het gaat om de mogelijkheid zich (positief) te
ontwikkelen, die alleen op aarde tot het resultaat kan leiden de mens
te veranderen tot kind van God. Daarom laadt u een onverantwoordelijk
grote schuld op u, wanneer u zich aan het leven van een mens vergrijpt,
wanneer u het met geweld afbreekt en daardoor wederrechtelijk van de ziel
een genadegeschenk van Mij afneemt. U begaat een dubbele zonde, tegen
de naaste en ook tegen Mij, zoals trouwens elke overtreding van het gebod
van de liefde tot de naaste ook een overtreding is van de liefde tot Mij,
omdat u indirect ook Hem de liefde ontzegt Die uw naaste geschapen heeft.
Het aardse leven te ontnemen is nooit goed te praten, zelfs wanneer edele
motieven aanleiding zijn. Want doorslaggevend is weer, dat het leven van
het lichaam alleen maar om reden van de ziel gegeven werd, dat de ziel
zich erin in opwaartse lijn ontwikkelt. U mag het aardse leven, het leven
van het lichaam niet als het voornaamste beschouwen en om die reden alleen
maar aandacht schenken aan het leven van het lichaam. Maar nog veel minder
mag u het leven voor zo onbelangrijk houden dat u meent het naar willekeur
te mogen beëindigen.
Een onvoorstelbare zucht naar wraak achtervolgt de mens op aarde en ook
nog in het geestelijke rijk die wederrechtelijk het leven van een medemens
nam, en tevens zinkt hij door zulke daden van haat en liefdeloosheid zelf
in het diepste duister, want hij heeft zich aan satan overgeleverd, wiens
streven het is, dat wat door Mij tot leven is gewekt, te vernietigen,
om elke positieve ontwikkeling te verhinderen. Hij heeft zijn wil om te
zondigen op de mens overgedragen en hem dus voor een satanisch werk gebruikt,
wat de mens echter in vrije wil kon weigeren. Hij was niet gedwongen om
te zondigen. Waar echter dwang aanwezig is door aardse machthebbers, waar
de mens in noodweer handelt om zijn eigen leven te behouden, waar zijn
innerlijk zich verzet tegen een daad van de ergste liefdeloosheid en zich
toch niet verzetten kan tegen het aardse gebod, wordt steeds alleen de
instelling van diegene beoordeeld die een daad in strijd met dit gebod
(van de liefde) verricht. Maar waar de mens tegen het gebod zondigt vanuit
zijn hart, wordt hij ook ten volle ter verantwoording geroepen, omdat
hij Mijn gebod van de liefde niet telt en Mijn tegenstander aanhangt.
Amen
|