BD.1899
28 april 1941
Cremeren - Het versnelde ontbindingsproces
Alles gaat de verlossing tegemoet omdat het de gang van de
positieve ontwikkeling moet gaan. Scheidt nu het geestelijke zich van
de materie, dan heeft het deze laatste overwonnen, maar niet altijd is
het geestelijke zo volledig rijp geworden dat het geen aardse vorm meer
nodig heeft, en het neemt dan weer verblijf in een nieuwe vorm die eveneens
materie is.
Als nu echter de ziel, het geestelijke in de mens, het lichaam verlaat,
houdt de aardse omzetting in een andere vorm op, dat wil zeggen: de ziel ontsnapt
aan de laatste vorm op aarde en gaat nu vrij van elke materie binnen in
een nieuw rijk dat totaal anders is dan de aarde.
Het lichaam, de laatste aardse vorm, is nu weer aan de ontbinding blootgesteld,
dat wil zeggen: de geestelijke substanties waaruit ook het aardse lichaam gevormd
is, moeten, daar ze bestaan uit het wezenlijke dat zich nog in het beginstadium
van ontwikkeling bevindt, de gang van de positieve ontwikkeling eveneens
doormaken en zich voor dit doel weer voegen bij de goddelijke scheppingswerken,
wier doel juist de positieve ontwikkeling van het geestelijke is.
Dit kan nu geschieden op velerlei manieren, toch moet het steeds de mogelijkheid
worden gegeven, dienend werkzaam te zijn, dus moeten deze substanties
zich aansluiten bij een zodanig scheppingswerk, waar het een of andere
taak te vervullen heeft om door het vervullen van deze taak dienstbaar
te zijn, want alleen door dienen kunnen de geestelijke substanties rijp
worden.
Wordt het de mogelijkheid om te dienen afgenomen, dan wordt de positieve
ontwikkeling onderbroken, wat voor het wezen een toestand van uiterste
kwelling betekent. De tijd van lijden van het geestelijke kan weliswaar
schijnbaar worden verkort, het geestelijke is echter niet dankbaar jegens
de mens die ingrijpt in zijn ontwikkelingsgang en het hindert te dienen.
Zodra nu het lichaam van de mens in zijn vergaan op natuurlijke wijze
wordt gehinderd, doordat men het ontbindingsproces ervan tracht te bespoedigen
door het te cremeren of ook wel op chemische manier, gaat dit geestelijke
een veel smartelijkere weg en moet deze ook gaan omdat dit proces indruist
tegen de goddelijke ordening, tegen de bestemming die God elk scheppingswerk
heeft gegeven.
Dit is een eigenmachtige handelwijze van de mensen, die niet met de goddelijke
Wil overeenstemt. Het menselijk lichaam moet aan de aarde worden toevertrouwd,
zoals het zijn bestemming is: "Van de aarde bent u genomen, tot aarde
zult u weer worden" - zover God Zelf het niet anders beschikt door
Zijn ingrijpen en beëindigen van een mensenleven op een andere manier
dan door de natuurlijke dood van het menselijk lichaam.
Heeft de ziel zich van het lichaam ontdaan, dan is de taak van het lichaam,
dus het geestelijke waaruit het lichaam gevormd is, vervuld tegenover
de ziel. Maar tot dit volledig uiteen is gevallen, zijn het nog verdere
mogelijkheden gegeven dienend in actie te komen, ofschoon dit de mens
niet erg begrijpelijk voorkomt. Terwijl het overblijfsel van een versneld
ontbindingsproces geen enkele dienende werkzaamheid als taak heeft. Uitermate
onjuist is het daarom te menen dat het lichaam van de mens zich voegt
bij de ziel door een dergelijk teweeggebracht louteringsproces.
Het geestelijke van de uiterlijke vorm heeft wel dezelfde bestemming zich
eens te verenigen met ontelbare zielesubstanties, om eveneens weer als
menselijke ziel de laatste ontwikkelingsgang op aarde te gaan. Toch zal
dit nooit zo gebeuren zoals de mensen onjuist geloven, omdat al het wezenlijke
een bepaalde tijd om zich te ontwikkelen is gesteld, die de mens niet
naar eigen goeddunken kan bekorten door een uiterlijk proces, als hij
de enige mogelijkheid zich geestelijk te ontwikkelen niet ten volle benut
op aarde, dat wil zeggen: hij door zijn levenswandel, zijn juiste instelling tegenover
God, zijn geloof en door voortdurend in liefde werkzaam te zijn, een graad
van rijpheid verwerft, die ook het lichamelijke omhulsel de levensweg
over de aarde kan verkorten, het evenwel steeds aan de Wil van God moet
worden overgelaten welke dienende taak Hij dit nog toewijst.
Amen |