BD.5967
28 en 29 mei 1954
Erfzonde
Er moeten in u steeds weer vragen bovenkomen die u zou willen
hebben beantwoord, dan kan Ik u opheldering verschaffen, zodra u zich
met Mij in verbinding stelt, zodra u na innig te bidden hoort wat Ik tegen
u zeg, doordat u nu de gedachten die in u opkomen als Mijn antwoord beschouwt,
wanneer u niet rechtstreeks door Mij wordt aangesproken door de stem van
de Geest. Uw verlangen en uw roepen naar Mij verzekert u ook van het juiste
denken, maar zonder Mij zult u de waarheid niet hebben. Zonder Mij is
uw streven naar opheldering tevergeefs, omdat zonder Mij alleen onjuiste
gedachten u vervullen, die de krachten van beneden u kunnen overbrengen,
juist omdat u Mij uitschakelt, Die de Gever van de waarheid ben.
En zo moet het volgende u worden gezegd: Er kan u alleen opheldering door middel van
beelden worden toegestuurd, zolang u niet volmaakt bent. Nooit zou u de
eindeloze diepten van de goddelijke Wijsheid kunnen begrijpen, nooit zou
u de beweegreden kunnen begrijpen voor Mijn besturen en werkzaam zijn,
omdat uw onvolmaaktheid ook gebrekkige kracht om te weten betekent en
u dus op grond van uw verstand geen opheldering zou kunnen vinden, die
echter bliksemsnel kan worden toegestuurd zodra in het geestelijke rijk
het licht van Mijn Liefde u doorstroomt. Op aarde zult u aanschouwelijk
opheldering moeten verkrijgen, er kunnen u alleen gebeurtenissen die zich
in Mijn schepping afspeelden beschreven worden die passen bij uw bevattingsvermogen
en dus kunnen u ook de geestelijke processen in de harten van de eerste
mensen alleen door aardse gebeurtenissen begrijpelijk worden gemaakt,
die op zichzelf toch slechts een zwakke vergelijking zijn, juist omdat
u zelf nog zwak van geest bent. U, mensen bent gebonden door natuurwetten,
want de volledige vrijheid die u door uw vroegere afval verspeeld hebt,
zal u zich pas weer moeten verwerven door uw leven op aarde. Ik legde
daarom de eerste mensen een beperking van hun wil op, omdat Ik wilde dat
ze eerst moesten inzien dat ze aan een Macht onderdanig waren en zij zich
aan deze Macht dus vrijwillig zouden moeten onderwerpen om nu hun uiteindelijke
vrijheid ten geschenke te krijgen. Eens wilden zij Mij niet erkennen en
dit was de eerste zonde, de opstand tegen Mij uit Wie ze waren voortgekomen.
Alleen het erkennen in vrije wil kon deze eerste zonde weer opheffen.
En deze erkenning van Mij Zelf wilde Ik bereiken toen Ik de gehele schepping
liet ontstaan. Dus daarom waren de eerste mensen zo begiftigd dat ze Mij
wel konden herkennen maar er niet toe waren gedwongen. En daarom moest
dus de vrije wil beslissen, die weer op de proef gesteld moest worden
in een "verzoeking".
Het oog van de mensen moest op iets gericht zijn dat ze begeerden en een
verbod en een verleiding tegelijkertijd moest hen tot de beslissing van
hun wil brengen. Begrijpelijkerwijs echter de verleiding met een belofte
verbonden zijn waarvoor ze dan niet moesten bezwijken. Het verbod en de
verleiding kwamen van twee kanten, omdat het ging om de terugkeer van
het gevallene naar Mij en om het blijven bij Mijn tegenstander, om het
bereiken van het doel van het door Mij geschapene of om de hernieuwde
terugval in de diepte. En bijgevolg moest ook in de mens de begeerte zijn
gelegd en hem ook de mogelijkheid worden geboden, deze begeerte te stillen,
of haar echter te overwinnen ter wille van een veel hoger doel: de eeuwige
gelukzaligheid bij Mij die elke aardse vervulling van de begeerte meer
dan duizendvoudig overtreft. Daar het terugwinnen van de afvallig geworden
geestelijke wezens een strijd was tussen Mij en Mijn tegenstander, moest
ook deze de mogelijkheid hebben op de wil van die wezens in te werken,
alleen dat hij schijngoederen en schijngeluk voorspiegelde, opdat de mensen
het ware geluk, een zalig leven in de eeuwigheid, voor zich zouden verspelen.
Ik was op de hoogte van deze verleiding en gaf daarom de eerste mensen
een gebod met gelijktijdig een waarschuwing voor de eeuwige dood. En deze
waarschuwing zou voldoende hebben moeten zijn elke begeerte in de mens
te verstikken om het leven niet te verliezen. En Mijn tegenstander overtuigde
hen van het tegendeel van Mijn waarschuwing en beloofde hun het leven.
Maar zij zagen Mij als hoogste Macht en volgden toch de leugen en daardoor
brachten ze de dood in de wereld. Maar wat was het dat hun begeerte zo
machtig liet worden dat ze aan deze begeerte ten prooi vielen?
Ze leefden een zalig leven in het paradijs, ze waren heer over alle geschapen
dingen, alles was aan hun wil onderworpen en ze voelden zich gelukkig
in het volle bezit van kracht en macht. Innige liefde verbond ook de eerstgeschapen
mensen en al ingevolge deze liefde zouden ze zichzelf hebben kunnen verlossen
uit de boeien van Mijn tegenstander. En zolang deze liefde op Mij en op
de partner was gericht, bestond er ook geen gevaar te falen in de wilsproef.
Maar Mijn tegenstander wist deze liefde verkeerd te sturen, hij veranderde
ze in eigenliefde doordat hij hun valse beloften deed en dus nu de begeerte
in hen opwekte zichzelf genot te verschaffen. Hun liefde werd een liefde
die wilde hebben, een egoïstische en lage liefde en daarmee voegden
zij zich weer in de macht van hem van wie ze zich moesten bevrijden en
het ook konden als ze Mijn geboden boven hun verlangen hadden gesteld.
Begrijp het, u mensen, de tijd was nog niet gekomen dat Ik het eerste
mensenpaar wilde zegenen, daarom werden ze zondig, want niets is zondig
wat zich aan Mijn scheppingsplan aanpast, niets kan zonde zijn wat in
wettelijke ordening geschiedt en nooit kan de gebeurtenis van de verwekking
tegen de door God gewilde ordening zijn. Maar de bevrediging van de zinnen,
zonder de wil leven voort te brengen, is geen daad van liefde die goddelijk
is, integendeel een door Mijn tegenstander ontstoken eigenliefde die de
mens naar beneden trekt en helemaal in zijn macht drijft. Aan deze verkeerde
liefde waren de eerste mensen ten offer gevallen en deze verkeerde liefde
was de zonde die weer deed denken aan de oerzonde van zelfverheffing,
die zich niet wilde wegschenken, veeleer alles bezitten en die erfgoed
was van hem (Lucifer) die haar had veroorzaakt, maar die met de goddelijke
Liefde niets gemeen heeft.
De goddelijke Liefde rust als Vonk in uw harten en kan ontvlammen tot
hoogste gloed. Maar het doel van Mijn tegenstander was en is deze liefde
te verdraaien en het is hem gelukt. Het zuivere, goddelijke werd verontreinigd
en veranderd in eigenliefde, die het begrip "liefde" niet meer
verdient en slechts begeerte, zelfzucht en eigenliefde kan worden genoemd
en die ook tot alles in staat is, wat Mijn tegenstander van u verlangt.
En zo werd ook voor Mijn tegenstander de daad van de voortplanting tot
een middel dat ontelbare zielen tot hem bracht, wat nooit mogelijk zou
zijn geweest, wanneer ze onder Mijn zegening zou hebben plaatsgevonden,
waar de goddelijke liefde van het schenken en gelukkig maken haar bekroning
moest krijgen in het ontstaan van een nieuw leven. De zondeval bestond
dus in het prijsgeven van de zuivere goddelijke liefde, ter wille van een
onzuivere zelfzuchtige liefde.
De Vonk van God in de mens werd door satanische inwerking uitgedoofd en
daarvoor in de plaats een vuur ontstoken waaraan al het edele en zuivere
ten offer viel. De zinnen werden geprikkeld en tot hoogste begeerte opgezweept,
wat nooit strookte met Mijn scheppingsdaad, (het scheppen van een nieuwe
mens) maar vanwege de wilsvrijheid van Mijn tegenstander en ook van Mijn
schepselen niet verhinderd werd, daar het steeds nog in de wil van ieder
mens afzonderlijk ligt deze verzoeking door satan te weerstaan. De zondeval
was dus niet de voortplantingsdaad, maar de door satan aangezette en in
vrije wil ontstoken verkeerde en zondige liefde. Een in goddelijke zin
gelukkigmakende scheppingsdaad werd omlaaggehaald tot een spel van onzuivere
geesten. Mijn tegenstander werd toegang verleend bij een daad waar Ik
Zelf met Mijn Zegen bij de mensen wilde zijn, om de zuivere goddelijke
liefde in hen te versterken, dat deze ook in de nu verwekte wezens zou
overvloeien en er zo dus een menselijk geslacht zou zijn ontstaan, dat
in 't steeds helderder licht van de liefde de weg naar Mij zou hebben
teruggevonden zonder lijden en kwelling, dat in korte tijd zichzelf zou
hebben bevrijd door de liefde, omdat het Mij Zelf moest herkennen waar
de liefde straalde. De eerste mensen zouden deze wilsproef hebben kunnen
doorstaan, doch daar Ik met Mijn tegenstander worstelde om de zielen van
de mensen, kon Ik hem niet verhinderen middelen aan te wenden om zich
te verzekeren van de overwinning. Want het ging om de terugkeer van Mijn
schepselen in volledig vrije wil, die echter faalde en het hele menselijk
geslacht een lot opleverde waarvan het zelf niet meer vrij werd, tot een
Mens (Jezus) in zuivere goddelijke Liefde het werk volbracht dat de gehele
mensheid van schuld bevrijdde en voor haar weer de weg naar boven vrij
maakte. Want de liefde behaalt de overwinning en de liefde zal nooit eerder
rusten tot ook het laatste van Mij afvallig geworden wezen de weg heeft
teruggevonden naar Mij.
Amen |