BD.5934
18 april 1954
Opstanding
"Verheug u en jubel het uit, want Hij is uit den dode
opgestaan". Zo klonk het uit de mond van de mijnen, en ze geloofden
in Mij, dat Ik Jezus Christus was, de Gezalfde des Heren, dat Ik werkelijk
en waarachtig God was en de wereld verlost had door Mijn kruisdood. Ik
was opgestaan uit den dode. Ik had hun daardoor het bewijs gegeven van
de waarheid van Mijn woorden: "Breek deze tempel af en Ik zal hem
in drie dagen weer opbouwen". Ik had de macht van de dood gebroken.
Maar Mijn verrijzenis moest alleen daarvoor bewijs zijn voor de mensen,
dat het leven niet is afgelopen met de dood van het lichaam. Ze moesten
leren geloven aan een leven na de dood en daarom liet Ik voor de mensen
zichtbaar gebeuren wat iedere afzonderlijke ziel te verwachten had na
het overlijden op aarde. Want dit geloof ontbrak allen en zelfs de priesters
en schriftgeleerden wezen op de dood van de profeten als een bewijs, dat
ook de godvruchtigste mensen tenslotte ten prooi vallen aan de dood. Want
van geestelijke gevolgen van de levenswandel wisten ze niets, de opstanding
van de ziel betwijfelden ze en daarom ook waren de leringen van de mens
Jezus voor hen onbegrijpelijk en lastig. En Ik wilde het geestelijke gevolg
van het naleven van Mijn leringen duidelijk aan de mensen laten zien.
Ik was Heer over leven en dood. Ten tijde van Mijn leven op aarde wekte
Ik doden ten leven en de mensen geloofden Mij niet dat Ik macht had over
leven en dood. En zo bewees Ik hun aan Mij Zelf dat Ik ook Heer was over
de dood, dat het leven niet kan worden ontnomen aan hem die het geestelijk
al gevonden heeft, ook wanneer men hem het aardse leven neemt.
Maar Ik liet het aardse lichaam ook verrijzen ten teken dat dit niets
aards meer bevatte, dat ook dit vergeestelijkt was en bijgevolg de kracht
in zich had te verrijzen in vergeestelijkte vorm. Aan Mijn lichaam kleefde
niets aards meer, omdat het zich door het ontzettende lijden volledig
gelouterd had, omdat al het aardse helemaal veranderd was in geestelijke
substantie en dit geestelijke nu kon uitgroeien in volledig leven. En
daarom kon het lichaam uit het graf opstijgen, want niets hield het aan
de aarde vast.
Dit was een gebeurtenis, waarvan de gehele mensheid kennis zou moeten
nemen, dat en waarom het mogelijk is, na de dood van het lichaam weer
ten leven op te staan, want van het hiervan kennis nemen - van het geloof
aan Mijn opstanding - hangt ook het geloof in Mijn Goddelijkheid af, het
geloof aan Mijn missie op aarde als Gods Zoon en de bereikte volledige
vereniging met God door het vervullen van die missie.
Ik ben werkelijk en waarachtig opgestaan uit den dode en heb Me aan de
mijnen zichtbaar getoond en daardoor heb Ik de mensen bewezen dat Ik als
mens de dood heb overwonnen, dat hij die de dood in de wereld heeft gebracht,
niet de macht had, Mijn lichaam op aarde achter te houden, dat het geestelijk
kleed al had aangetrokken door het werk van de verlossing. En dit werk
van de verlossing gold voor de gehele mensheid.
Dus kan geen ziel door Mijn tegenstander meer worden teruggehouden die
als door Mijn kruisdood verlost, aan zijn macht is ontrukt. Ze zal de
dood niet hoeven te vrezen, ze zal verrijzen ten eeuwigen leven een ze
zal kunnen jubelen en loven, want ze weet dat haar Verlosser leeft en
dat Hij al diegenen het leven geeft die in Hem geloven en aan Zijn opstanding.
Amen |