BD.7760
30 november 1960
Materie is een groot gevaar voor de ziel
De geestelijke ontwikkeling van de mens, die het doel is waarvoor
hij op aarde leeft, is steeds dan in gevaar, wanneer hij zich helemaal
door de materie gevangen laat nemen en hij dus geen enkele verbinding
heeft met het geestelijke rijk. Dan wordt de ziel geheel door het lichaam
beheerst, dan zijn de gedachten van de mens alleen op de aarde en haar
goederen gericht, dan gelooft hij ook niet in een God en Schepper, want
hij zal geen gedachten aan Hem laten opkomen; zijn ziel is geheel gebonden
aan de materie en ze wordt opnieuw de diepte in getrokken. En komt ze
tot aan het einde van haar lichamelijk leven niet tot een beter inzicht,
dan zal de materie ook haar hernieuwde omhulling worden, wanneer het einde
van deze wereld is gekomen.
En daarom moet de mens ernstig voor ogen worden gesteld, dat de materie
niet blijft bestaan, dat ze vergankelijk is en dat de mens niets verwerft,
al komt hij in het bezit ervan, want hij moet alles afgeven wanneer het
uur van zijn dood is gekomen. En er zullen ook veel mensen voortijdig
hun aardse have en goed moeten afgeven, wanneer door het ingrijpen van
God de grote chaos zal komen; de grote nood, die door de Wil van God de
mensheid treffen zal. Dan zullen ze inzien hoe vergankelijk al het aardse
is en gelukkig diegenen, die nu nog het juiste inzicht verkrijgen, die
de ziel nog geestelijke goederen proberen te verschaffen, eer het te laat
is.
Zolang de mens leeft, kan hij nog tot dit inzicht komen en dan de ziel
helpen zich positief te ontwikkelen. Maar zolang de materie hem nog gevangen
houdt, behaalt de ziel geen geestelijk gewin. En daarom wordt de mens
ook vaak middels het lot aards goed afgenomen, vaak valt materieel goed
ten prooi aan de vernietiging, er gaan waardevolle voorwerpen verloren
of de mens worden dingen afgenomen, waaraan zijn hart bijzonder sterk
is gehecht, maar dit zijn allemaal alleen maar hulpmiddelen van God, Die
de ziel wil vrijmaken van aardse lasten die haar klim omhoog verhinderen
en het komt dan steeds op de instelling van de mens tegenover zulke slagen
van het noodlot aan, of ze ook van nut waren voor zijn ziel.
De materie is een groot gevaar voor de ziel, want ze moet er gedurende
het leven op aarde vrij van worden. De wil van de mens moet zich afkeren
van de wereld en de goederen ervan, en naar geestelijke rijkdom verlangen,
de mens moet aan het lot van zijn ziel na zijn dood denken en deze helpen
rijper te worden. Het hart moet zich losmaken van alles wat de wereld
biedt en haar verlangen moet op geestelijke goederen zijn gericht, dan
zal vanzelf de wereld haar bekoring verliezen en heeft de ziel haar leven
op aarde niet tevergeefs afgelegd. En wanneer u dus aardse goederen verliest,
beschouw dat dan als een hulpmiddel van God om uw ziel er vrij van te
maken, wees dankbaar voor de hulp en bezin u op het doel van uw aardse
leven. Want dat weet u allen, dat al het aardse vergankelijk is en dat
uw leven op aarde niet eeuwig duurt. Verschaft u daarom geestelijke goederen
die met u meegaan in de eeuwigheid. Geef vrijwillig op wat u toch eens
zult verliezen en verschaf u daardoor een rijkdom waarmee u kunt werken
in het rijk hierna. Dan leeft u uw aardse leven bewust en u zult ook niet
verloren kunnen gaan wanneer het einde voor u komt, wanneer de graad van
rijpheid van de ziel wordt beoordeeld, evenals uw levenswandel op aarde.
Amen
|