BD.8059 Het geloof aan een voortleven van de ziel Wanneer de mensen er toch maar aan zouden willen geloven dat
hun ziel - hun eigenlijke ik - onvergankelijk is, wanneer ze zouden willen
geloven, dat de ziel als mens op deze aarde zichzelf het lot bereidt in
het rijk hierna, wanneer ze haar aardse lichaam verlaat. De onverschilligheid
tegenover hun latere lot zullen de mensen eens bitter berouwen, want eens
zullen ze tot het besef komen wat ze verzuimden in het leven op aarde,
wat ze zouden hebben kunnen bereiken, wanneer ze de waarschuwingen en
vermaningen zouden hebben geloofd die hun op aarde steeds weer werden
aangedragen. De onverschilligheid tegenover hun toekomstig lot is het
grootste kwaad dat veel mensen in de afgrond dreigt te sleuren. En daarom
moeten ze er steeds maar weer op worden gewezen, dat er een verder leven
na de dood is, dat ze niet kunnen vergaan, ook wanneer ze hun aardse lichaam
moeten afleggen - hun gedachten moeten gericht worden op deze tijd, die
zo zeker komt als de dag van morgen. Dan zullen ze ook bewuster van hun
verantwoordelijkheid leven, als ze maar het geloof zouden kunnen verkrijgen
aan een voortleven na de dood. Ook dit kan hun niet worden bewezen, ze
kunnen het alleen geloven, maar ze kunnen een overtuigd geloof verkrijgen,
wanneer ze nadenken en vragen naar het eigenlijke doel van hun leven op
aarde. Slechts een geestelijk gerichte gedachte zou voldoende zijn dat
hem ook het antwoord door middel van gedachten wordt gegeven uit het rijk
dat het ware Vaderland van de ziel is. Maar deze vragende gedachten moet
de mens in vrije wil opzenden, want hij kan niet gedwongen in zulk geestelijk
denken worden gedrongen. Maar de geringste impuls kan al voldoende zijn
dat hij zichzelf deze vraag stelt en ze zal zeker alleen goede gevolgen
hebben. Daarom moet de mens vaak worden getroffen door gevoelige verliezen
die al datgene kunnen betreffen wat hij bemint, aards bezit of ook lieve
mensen, waarvan het verlies hem tot zulke gedachten kan aanzetten. En
dan zijn ook zware slagen van het noodlot voor hem tot een zegen geworden,
wanneer ze het denken van de mens in geestelijke banen leiden en geestelijke
krachten nu tussenbeide kunnen komen die hem trachten te onderrichten. |