BD.8263
3 september 1962
"God zond Zijn Zoon naar de aarde"
Ik heb Mijn Zoon naar de aarde gezonden. Een Wezen uit Mijn
eeuwige Oerliefde voortgekomen, Dat Zijn hele Liefde op Mij richtte toen
een groot leger van Mijn oergeschapen geesten van Mij afviel, Dat Mij
als Zijn Vader van eeuwigheid onderkende; ofschoon Het Mij niet kon zien,
wilde Het Mij Zijn overgrote Liefde tonen, doordat Het Mij de ontrouw
geworden kinderen wilde terugbrengen door een werk van eenmalige aard.
En omdat Zijn liefde Het daartoe aanzette, liet Ik het toe. Ik gaf Mijn
toestemming dat dit Wezen naar de aarde afdaalde, dat Het uit het rijk
van het licht, waarin Het onmetelijk gelukzalig was, Zich in een duister
gebied begaf, in het rijk van de aan Mij vijandige geest Lucifer die als
eerste van de gevallen wezens tot Zijn tegenpool werd.
Ik zond Mijn Zoon naar de aarde, Die Zich aanbood Mij Zelf op aarde als
omhulsel te dienen, omdat Ik alle gevallen wezens te hulp wilde komen
in hun grote geestelijke nood. Want de terugweg naar Mij was voor hen
afgesneden, ze zouden voor eeuwig op oneindige afstand van Mij hebben
moeten blijven in een staat van eindeloze kwelling en ellende. Maar allen
waren ze Mijn schepselen die uit Mijn Liefde en Macht waren ontstaan door
de wil van het eerstgeschapen wezen Lucifer, die in het allereerste begin
de grootste gelukzaligheid daarin vond, schepselen te verwekken met gebruikmaking
van Mijn Kracht. Dat deze oergeest die Ik als Mijn evenbeeld buiten Mij
had geplaatst, gevallen is, zou Ik wel hebben kunnen verhinderen, maar
Ik deed het niet, daar Ik toch in Mijn Liefde en Wijsheid een ontwikkelingsgang
zag van een volledige vergoddelijking van de gevallen wezens, met het
einddoel het kindschap Gods, dat echter in vrije wil moest worden bereikt.
De wil van de gevallen wezens was echter door de invloed van de aan Mij
vijandige geest Lucifer dermate verzwakt, dat de wezens niet in staat
waren uit de diepste diepte eens weer ten hogen te geraken, wanneer Ik
hun geen hulp zou hebben verleend, die nu ook van Mijn kant uit, aan de
wil werd gegeven, door de in de toestand van "je moet" - dus
volgens Mijn Wil afgelegde gang door de materiële schepping.
Maar ook dan waren de wezens nog totaal krachteloos, omdat ze eens Mijn
Liefdekracht afwezen en deze kracht om opwaarts te gaan alleen door de
liefde konden verkrijgen. Maar ze waren onbekwaam geworden om lief te
hebben. In Mijn overgrote Erbarmen legde Ik in hen wel een liefdevonkje,
bij hun laatste stadium op de weg van de terugkeer naar Mij. Toch bleef
de ontzaglijke last van de oerzonde, de opstand tegen Mij als hun God
en Vader, in de staat van het helderste inzicht, op ieder van de gevallen
oergeesten drukken, want die last moest worden gedelgd volgens wet van
goddelijke Gerechtigheid, er moest genoegdoening worden verschaft die
deze gevallen wezens zelf nooit tot stand zouden kunnen brengen.
En daarom bood een Oergeest die bij Mij verbleef Zich aan om op aarde
dat werk van boete te verrichten, omdat Zijn liefde voor Mij en voor de
gevallen broeders zo geweldig was, dat Hij van zins was alles op Zich
te nemen wat dat werk van verzoening vroeg aan smarten en lijden. Want
Hij wilde als "mens" over de aarde gaan, Hij wilde Zich belichamen
in het menselijk omhulsel Jezus en een lijdensweg gaan die de hoogste
liefde vroeg en die ook de manifestering van de eeuwige Godheid Zelf in
Hem mogelijk maakte. Want Ik kon alleen maar zijn waar liefde is. Ik kon
Me Zelf alleen met de liefde verbinden en Me daarom een opnamevat kiezen
om Mijn intrek in te nemen, dat Zich geheel tot liefde had gevormd.
De Ziel van Jezus bracht weliswaar de liefde voor Mij mee naar de aarde,
maar het gebied dat Ze bij Zijn geboorte betrad, was het rijk van Lucifer
en de Ziel werd door hem in het nauw gebracht. Alles wat hem omgaf was
deel van Lucifer en omdat Hij het op Zich had genomen als mens een missie
te volbrengen om Zijn gevallen broeders te redden, mocht Hij ook niet
de kracht van de liefde, die Hem als "Mijn Zoon" ter beschikking
stond, gebruiken om Zich te verweren tegen wat Hem bedreigde en het van
Zich af te schudden, maar Hij moest net als Zijn medemensen worstelen
om dat wat Hem bedreigde te verlossen door een levenswandel in liefde
- die daarom niet zo makkelijk te gaan was, omdat het destructieve geestelijke
Hem trachtte te hinderen en Zijn menselijke buitenkant net zo reageerde
op alle verzoekingen, dus Zijn Ziel daartegen moest strijden tot de liefde
in Hem steeds sterker begon door te breken en Hij daardoor ook Zijn lichamelijk
omhulsel vergeestelijkte, dus het licht van Zijn liefde steeds helderder
straalde en Hij dat deed wat de tegenstander Hem wilde beletten: dat Hij
een bovenmenselijk lijden en sterven verdroeg uit liefde, dus Hij de liefde
plaatste tegenover Mijn vijand en hem door de liefde overwon - dat Hij
Mijn Gerechtigheid voldoening heeft verschaft en de koopprijs betaalde
voor de zielen die de tegenstander nu niet meer gevangen kon houden.
Dus heeft de Liefde dit werk van erbarmen volbracht, Die Hem helemaal
vervulde en deze Liefde was Ik Zelf. Maar "Mijn Zoon" moest
door deze duisternis, door het rijk van Lucifer, heengaan en daarom Zijn
licht en Zijn kracht, die Hij als niet gevallen Oergeest bezat, achterlaten.
Hij moest, net als ieder mens, in dezelfde zwakheid het aardse leven beginnen,
want Hij moest de mensen de weg tonen die weer naar Mij terug leidt, de
weg van de liefde en het lijden, die de mens Jezus Zijn medemensen waarlijk
is voorgegaan en Ik daarom in Hem Mijn intrek kon nemen omdat Zijn Ziel
niet door de oerzonde belast was en Zijn liefde Hem de kracht gaf, ook
Zijn menselijk lichaam te vergeestelijken, Hij dus zonder enige zonde
door het aardse leven ging. Want zonde is alleen dat wat strijdig is met
de liefde. En daar Ik in het hart van ieder mens een vonkje van Mijn goddelijke
Liefde leg, is ook ieder mens in staat de liefde te ontsteken en aan te
wakkeren tot hoogste gloed.
Dus wordt er niets onmogelijks verlangd van u, mensen, omdat alleen de
zwakheid van wil u kan hinderen bij het werkzaam zijn in liefde en u te
allen tijde Jezus Christus om versterking van uw wil zult kunnen vragen,
omdat dit een van de genaden is die Hij door Zijn dood aan het kruis voor
u heeft verworven. En deze genaden van het verlossingswerk zult u, mensen
moeten gebruiken, opdat Zijn werk van erbarmen niet tevergeefs voor u
werd gebracht, opdat u in Jezus Mij Zelf herkent, Die in Zijn omhulsel
Mijn intrek nam om u van uw zondeschuld te verlossen.
Amen |