BD.3952
4 januari 1947
De staat van duisternis van de zielen in het hiernamaals
en hulp door de lichtwezens
En Licht of duisternis zal uw deel zijn. In het Licht zult
u verblijven als u het licht toegang hebt verleend in u, als u het liet
binnenstralen in uw hart en daardoor de duisternis hebt verjaagd waarin
u vertoefde tot het Licht uit de hemelen u aanraakte. Maar duisternis
is uw lot als u het licht ontvlucht. En de geestelijke duisternis betekent
eenzaam rondgaan, het betekent verlaten zijn in de meest donkere omgeving,
zonder doel en zonder hoop op verandering van uw toestand. De ziel die
in het hiernamaals in de duisternis vertoeft, lijdt daarom onuitsprekelijk,
omdat ze tevoren het fysieke licht van haar ogen bezat en alles om zich
heen kon herkennen, nu echter het geestelijke oog nodig is, om geestelijke
dingen te kunnen waarnemen, maar de ziel is in de geest helemaal blind.
En zo zal ze zich in een troosteloze woeste omgeving ophouden en als andere
zielen haar ontmoeten, zal ze niet in staat zijn dezen te herkennen en
daarom op de hulp van andere zielen zijn aangewezen, dat dezen haar leiden,
dat ze haar af en toe een glimpje licht doen toekomen opdat ze haar omgeving
kan herkennen.
Maar de zielen die zich in het Licht bevinden, trekken zich het lot van
deze arme zielen aan, maar hun hulp is beperkt volgens Gods Wil, want
ze mogen hun geen licht schenken tegen hun wil in. Zolang de ziel het
licht niet ontbeert, moet ze smachten in duisternis al duurt dit nog zo
lange tijd. Ze moet het verlangen naar licht hebben, haar toestand moet
haar ondraaglijk worden en ze moet naar verandering van haar toestand
verlangen, pas dan komen de lichtdragers dichter bij haar en geven haar
een klein glimpje van hun licht af - ze geven hun een beetje opheldering
en al naar gelang hun bereidheid die aan te horen en aan te nemen, wordt
het licht nu werkzaam bij hen.
De ondraaglijkheid van hun toestand kan in haar de bereidheid om te helpen
wekken of versterken, zodra ze met andere lijdende zielen samenkomt. Hun
lijden zal haar duidelijk zijn, ofschoon ze niet in staat is veel te zien
en zodra het leed van deze zielen haar wil om te helpen op gang brengt,
wordt het lichter in haar en vindt ze gelegenheid die ziel te helpen.
Nu bemerkt ze een toevloed van kracht en ze gebruikt deze kracht om hulp
te verlenen en wordt nu zelf bijgestaan van de kant van de lichtwezens
die zo'n ziel nu nooit meer loslaten. Ze ontvangt omdat ze geeft, omdat
de liefde in haar is ontwaakt en elk werkzaam zijn in liefde, zowel op
aarde als in het hiernamaals, ontvangst van kracht tot gevolg heeft, maar
kracht en licht zijn steeds samen, haar wil wordt gesterkt en ze rijpt
aan inzicht. De duisternis is doorbroken en heeft plaats gemaakt voor
een schemerlicht, waarop een gouden morgen volgt - als de zon van de Geest
is opgegaan, dat wil zeggen op elk gebied wordt haar weten gegeven van
de kant van de Lichtwezens, dat de ziel gelukkig maakt en haar tot voortdurende
werkzaamheid in liefde aanspoort, dat wil zeggen om uit te delen van datgene
wat ze zelf bezit aan die zielen die nog in diepste duisternis smachten.
Iedere ziel kan de duisternis ontvluchten, iedere ziel kan zich bevrijden,
maar altijd moet een liefdevolle gedachte aanleiding geven om licht over
te dragen, want zonder deze mogen de lichtwezens geen gaven uitdelen omdat
de vrije wil naar het licht moet streven, daar anders de ziel omgeven
blijft door 'n eeuwige nacht en een wegzinken in de diepste diepte der
duisternis het gevolg kan zijn. Maar licht behoort bij de gelukzaligheid
en als een ziel het geestelijke gezichtsvermogen ontsloten is, zal ze
haar taak inzien en heerlijkheden aanschouwen en nooit meer in de duisternis
afglijden.
Amen |