BD.3297
17 oktober 1944
Het kwijtschelden of laten behouden van zonden - Volgelingen
van Jezus
Aan wie u de zonden zult vergeven, hun zijn ze vergeven,
en wie u de zonden zult laten behouden, hun blijven ze behouden. Dit zijn
ook Mijn woorden, die vaak een andere uitleg hebben gekregen dan er door
Mij is ingelegd. En om dit recht te zetten is een mens met een gewekte
geest nodig, die Mijn stem verneemt en u, mensen Mijn opheldering overbrengt,
opdat u vrij wordt van dwaling en wandelt in de waarheid.
Mijn discipelen waren begiftigd met de kracht in Mijn naam wonderen te
verrichten, te genezen, doden tot leven te wekken en daardoor de mensen
de kracht van hun totale geloof in Mij te bewijzen. Ze waren in een geestestoestand
die al dat bovennatuurlijk werkzaam zijn toeliet, want toen Mijn Geest
over hen kwam, waren ze vervuld met kracht en licht, met macht en wijsheid.
Dus konden ze de waarheid verbreiden, omdat ze zich daar zelf in bevonden
en ze konden alleen al door hun woord dingen volbrengen die buiten elk
menselijk vermogen lagen. Want ze waren waren Mijn leerlingen, door Mij
onderwezen gedurende de tijd van Mijn leven op aarde door het innerlijke
woord, ze stonden vast in de liefde en geloofden in Mij, daardoor konden
ze ook Mijn Geest in zich opnemen en door Hem werken.
Die buitengewone daden waren tekenen van de rijpheid van hun ziel, die
voor de mensen weer bewijs moesten zijn, welke buitengewone gaven de mens
bereiken kan als hij volgens Mijn Wil leeft, dat wil zeggen: zich vormt naar Mijn
evenbeeld - tot liefde. Want liefde is kracht en als de mens leeft in
de liefde, is hij ook doorstraald van kracht en licht, want de Geest Gods,
de uitstraling van Zijn Kracht, kan hem vervullen.
En Ik leefde de mensen een leven in liefde voor. Ik toonde hun tot welk
een kracht de mens kan komen en liet na Mijn dood levende voorbeelden
na, die opnieuw Mijn liefdeleer verkondigden en ook 'n voorbeeld van de
kracht ervan moesten geven, opdat het de mensen makkelijk kon vallen in
Mij te geloven. Maar Ik Zelf was temidden van Mijn leerlingen, hoewel
niet meer zichtbaar, maar wel in de Geest. Ik leidde hen omdat alles wat
door Mijn Geest is doorstraald, onderworpen is aan Mijn goddelijke leiding,
omdat Ik nu Zelf door diegenen kon werken die in Mijn naam werkzaam waren.
Dus hadden de leerlingen nu dezelfde macht en hetzelfde recht, omdat alles
wat ze nu deden Mijn Wil was, ze waren verlicht door Mijn Geest, Die Uitstraling
is van Mij Zelf. Bijgevolg hadden ze ook de macht in Mijn naam zonden
te vergeven aan de mensen, in het bijzonder dan, wanneer een ziekte het
gevolg van hun zonden was en ze, om deze ziekte te genezen, ook de zonde
zelf aan de mensen moesten kwijtschelden. Zagen ze echter de onwaardigheid
van een mens in, hun ongeloof en hun van God afgewende wil, dan waren
ze evenzo bevoegd, hen in hun zondige toestand te laten, want niet hun
menselijk inzicht bepaalde dit, maar de goddelijke Geest in hen, Mijn
Geest, Die alles weet en dus ook op de hoogte is van de onwaardigheid
van een mens en daarom ook van de nutteloosheid van een genadevol werkzaam
zijn bij hen. Ik gaf dus Mijn leerlingen het recht de mensen te bedelen
naar hun inzicht, omdat Mijn Geest in hen werkzaam was en Deze voor het
juiste denken van Mijn leerlingen instond.
Nu echter hebben de mensen in wie Mijn Geest nog niet werkzaam is, zich
hetzelfde recht aangematigd. Ze hebben de bevoegdheid zonden te vergeven
of te laten behouden op de persoon zelf betrokken, maar niet op de goddelijke
Geest in deze persoon, en dus alle "opvolgers" van de leerlingen
naar het woord, niet naar hun geest, deze bevoegdheid toegekend en bijgevolg
de zin van Mijn woord verkeerd begrepen, ofschoon ze nu ook juist zouden
denken, wanneer ze duidelijk inzagen, wie in waarheid Mijn volgeling is.
Zij die zichzelf aanstelden zijn het niet, integendeel hen die Ik heb
aangesteld voor hun taak om op aarde te onderrichten. Want Ik gaf Mijn
leerlingen de opdracht: "Ga heen en onderricht alle volkeren".
Maar om te kunnen onderrichten moet Mijn Geest in hen werkzaam zijn, opdat
ze de zuivere waarheid aan de mensen uitdelen en zij in de wereld Mijn
liefdeleer kunnen verbreiden. Maar de waarheid kan niet anders dan door
het werkzaam zijn van de Geest in bezit worden genomen. En dus moeten
Mijn discipelen beslist door Gods Geest verlicht zijn voor ze zich tot
Mijn discipelen kunnen rekenen. Maar dan worden ook zij doorstraald met
licht en kracht en kunnen buitengewone daden volbrengen, de Kracht van
de Geest zal hen in staat stellen zieken te genezen, dus de mensen te
bevrijden van de zonden en de gevolgen ervan, zodat dezen in Mij en Mijn
naam geloven. Degenen die door Mijn Geest verlicht zijn, heb Ik de macht
gegeven zonden te vergeven, omdat ze door hun rijpe geestestoestand ook
inzien, wanneer de mens waardig is dat hem de zonden worden vergeven,
want ze handelen dan in Mijn plaats en Ik ben het Die in werkelijkheid
hun de zonden vergeeft.
Wanneer echter mensen zich bevoegd voelen de daad van zondenvergeving
te verrichten, die op geen enkele aanstelling door Mij Zelf kunnen wijzen,
die noch door Mijn Geest verlicht zijn, noch Mijn woord in zich vernemen,
dan kan hun wel met recht de aanstelling worden ontzegd, wat al daaruit
blijkt, dat ze niet in staat zijn de medemens te doorzien om nu te oordelen
of hem de zonden zijn kwijt te schelden of ze hem te laten behouden. De
beoordeling ervan vereist het werkzaam zijn van de Geest, dat echter bij
de meesten die geloven als dienaar Gods geroepen te zijn, moet worden
ontkend, zolang ze het innerlijke woord niet hebben. Pas door Mijn woord
zijn ze bevoegd om voor Mij te werken, want alleen Mijn woord maakt hen
wetend, dat wil zeggen: het brengt hun de zuivere waarheid over en die is absoluut
noodzakelijk om als Mijn volgeling voor Mij werkzaam te kunnen zijn.
Wie zelf de waarheid bezit, kan ze ook doorgeven en hij helpt daardoor
de medemens vrij te worden. Wie Mijn woord bezit, zal ook het vermogen
hebben om te oordelen wanneer de mens een wil heeft die op God is gericht.
Want het gesproken woord van de mens is bedrieglijk, het hart hoeft geen
deel te hebben aan datgene wat de mond uitspreekt. De ware volgeling heeft
echter ook de gave van het doorzien van de medemensen, en dus weet hij
ook, welke mens de vergeving van zijn zonden ernstig meent, en hij laat
zich niet misleiden door veel woorden waaraan de innerlijke overtuiging
ontbreekt. En daarom kan de vergeving der zonden ook geen algemene daad
zijn, omdat ze alleen daar plaats kan hebben, waar diepst berouw aan vooraf
is gegaan en waar zoiets door Mijn volgelingen wordt herkend. Maar dan
zal het oordeel van hem geldig zijn voor Mij, want hij handelt alleen
in Mijn opdracht en zijn werkzaam zijn staat onder Mijn wil.
En dit heb Ik Mijn leerlingen met die woorden te verstaan gegeven, dat
ze volledig in hun handelen en denken met Mij overeenstemmen, als ze in
Mijn naam werkzaam zijn voor Mij, dat ze niet anders kunnen denken en
willen dan het Mijn Wil is, als de goddelijke Geest in hen werkzaam is,
Die hen echter pas tot Mijn discipelen bestempelt. Want Ik Zelf stel voor
Mij Mijn dienaren op aarde aan, omdat Ik waarlijk weet wie tot dit ambt
in staat is en wie Ik met de gaven kan voorzien die vereist zijn voor
hun taak op aarde om te onderrichten. En Ik geef hun dan ook de macht,
want ze voeren dan alleen maar uit wat in Mijn Wil ligt.
Amen |