BD.5593
2 februari 1953
God verdoemt niet, integendeel, Hij wil verlossen
Niet Ik verdoem de mensen en stoot de zielen in de duisternis,
veeleer sturen ze zelf aan op de diepte, zij zelf spreken het oordeel
over zich uit door hun levenswandel, die zo is, dat de vorst der duisternis
bezit van hen kan nemen en hen naar beneden trekt in zijn gebied. Ik ben
een God van Liefde en met al deze zielen heb Ik medelijden, omdat Mijn
grondbeginsel is: alles wat eens uit Mij is voortgekomen gelukkig te maken.
Ik zie hun nood, Ik zie hun deerniswekkende toestand en zou hen graag
willen helpen; doch zolang ze zich van Mij afwenden, zolang ze niet bereid
zijn zich door Mij te laten helpen, houdt Mijn tegenstander hen vast in
zijn macht, want hun wil geeft hem daar het recht toe, zoals echter ook
de daaraan tegengestelde wil Mij het recht zou geven hen op te helpen
ten hogen.
Ik vergeef ieder mens zijn schuld, ofschoon Ik als een God van Gerechtigheid
een vereffening, een genoegdoening moet verlangen. Maar Mijn Liefde vol
erbarmen heeft voor alle zondaars de mogelijkheid geschapen, hun zondeschuld
kwijt te raken, Mijn Liefde vol erbarmen nam de zondeschuld van allen
op zich en betaalde het losgeld door de offerdood aan het kruis. En toch
blijft iedere ziel de keuze gelaten daar gebruik van te maken, omdat Ik
haar een vrije wil heb gegeven, die Ik nooit zal aantasten. Maar het is
de vrije wil die haar, als hij verkeerd is gericht, in de verdoemenis
stort, in een toestand die zo smartelijk is dat hij gelijk is aan de vreselijkste
opsluiting in een kerker en waarvan ze meent dat die haar door Mij is
opgelegd en Mij daarom aanziet als een wrekende en straffende God, Die
haar van Zich heeft gestoten in de duisternis. De ziel schept zichzelf
haar lot, want wat zij is en waar zij is, is een toestand die in vrije
wil is nagestreefd, die ook alleen maar veranderd kan worden door eigen
wil, maar die ook onmiddellijk wordt verbeterd, wanneer de ziel haar denken
op Mij richt. Mijn Liefde pakt iedere ziel vast en helpt haar ten hogen,
wanneer ze het hogere nastreeft, dus op Mij zou willen aansturen. Ik ben
wel een God van Gerechtigheid, maar wat Ik vraag als tegenprestatie, als
compensatie voor de zondeschuld van de opstand van weleer tegen Mij, is
slechts de erkenning van Mijn verlossingswerk, dus de erkenning van Jezus
Christus als Gods Zoon. Zo als zich het geestelijke eens van Mij
afwendde en viel, zo moet het zich weer naar Mij wenden in Jezus Christus
om ten hogen te klimmen. Ik verlang alleen erkenning van Zijn Goddelijkheid,
omdat Ik dan Zelf wordt erkend, Die Me in de mens Jezus heb belichaamd
op aarde, om het de mensen, die het eens van Mij afgevallen geestelijke,
te vergemakkelijken de vroegere zonde weer goed te maken.
De mensen zijn ver van Mij af, de mensen zijn dus het geestelijke dat
eigenwillig van Mij is weggegaan; niet Ik heb dit geestelijke verdoemd,
maar het heeft in vrije wil op de diepte aangestuurd, waaruit Ik het weer
omhoog zou willen halen, maar ze niet, tegen hun vrije wil, in een andere
sfeer kan verplaatsen: Ik was en ben en blijf eeuwig de God van Liefde
en zelfs Mijn Gerechtigheid wordt door Mijn Liefde vol erbarmen overtroffen,
Die een weg heeft gezocht de Gerechtigheid voldoening te verschaffen en
toch de schepselen tegemoet te komen, opdat ze Hem weer konden naderen,
wanneer ze daartoe de wil hadden. En Mijn Liefde zal zich eeuwig inspannen
die zielen uit de diepte te verlossen die zelf verdwaald zijn; Mijn Liefde
zal eeuwig Haar helpende Hand uitstrekken, Die alleen maar hoeft te worden
vastgepakt om de diepte te kunnen ontvluchten, want Ik ben geen straffende,
geen verdoemende God. Ik ben een God van Liefde en Barmhartigheid, Die
eeuwig alleen maar gelukkig wil maken wat eens uit Zijn Liefde is voortgekomen.
Amen |