BD.7666
5 augustus 1960
Woorden bij de aanstelling
En het zal jullie altijd tot zegen strekken, als Mijn stroom
van genade jullie aanraakt, want niets blijft zonder uitwerking, wat uit
Mij stroomt, als het gewillig aangenomen wordt.
En een gewillige aanname wordt gegarandeerd, wanneer jullie je tot Mij
wenden in gebed, wanneer jullie begeren, door Mij gezegend te worden -
wanneer jullie ernaar verlangen door Mij te worden aangesproken. En zo
wil Ik, dat jullie ervaren, hoe Ik wil dat Mijn Woord begrepen wordt:
Doe dit tot Mijn gedachtenis, want jullie hebben daaruit een handeling
afgeleid, dat jullie letterlijk brood en wijn uitdelen en er nu van overtuigd
zijn, Mij Zelf in jullie op te nemen, wanneer jullie dit brood eten en
deze wijn drinken.
De ware betekenis van Mijn woorden echter hebben jullie niet begrepen.
En toch is juist het tot zich nemen van brood en wijn uiterst belangrijk,
waaronder Ik echter Mijn Woord en Zijn Kracht wil hebben begrepen.
Jullie kunnen niet zalig worden, wanneer jullie niet Mijn Woord horen,
het Brood des Levens, het Manna, dat van de Hemel komt. Jullie moeten
je door Mij laten aanspreken, Die Zelf het Woord ben, Dat voor jullie
mensen vlees is geworden.
Toen Ik over de aarde wandelde, deelde Ik het brood des levens uit met
gulle hand; Ik sprak alle mensen toe, en gaf hun, die van goede wil waren,
voedsel voor hun ziel. Ik gaf hun brood en wijn, Mijn Woord, dat Ik met
Mijn kracht gezegend had. Ik onderrichtte Mijn discipelen en maakte hen
tot de ware verkondigers van Mijn Woord, omdat zij Mijn Woord in de wereld
moesten uitdragen - want alle mensen hadden voedsel voor hun zielen nodig,
alle mensen moesten "Mijn Vlees eten en Mijn Bloed drinken",
aan alle mensen moest Mijn Woord gebracht worden, zoals het van Mij Zelf
was uitgegaan; zij moesten zuiverste waarheid ontvangen, die hun alleen
de Eeuwige Waarheid Zelf geven kon.
Maar Mijn levenswandel op deze aarde duurde slechts korte tijd. En in
deze tijd bereidde Ik Mijn discipelen voor op 't leraarschap. En toen
het uur van Mijn afscheid nabij was, toen Ik met Mijn volgelingen het
avondmaal nuttigde voorafgaand aan Mijn moeilijke gang naar Golgotha,
toen gaf Ik hun de opdracht uit te gaan. Ik wees hen op hun missie, de
wereld in kennis te stellen van Mij, van Mijn leer en ook van datgene,
wat nog vóór Mij lag, en Ik sprak daarom de woorden: Ga
heen in de wereld.
Ik brak het brood en gaf het hun, evenals de beker met wijn. En Mijn discipelen
wisten, dat Ik het brood en de wijn als vlees en bloed aanduidde, dat
Ik in vergelijkingen tot hen sprak, en ze begrepen Mij, dat Ik van hen
verlangde, Mijn Woord onder de mensen te verspreiden, opdat ze Mij zouden
gedenken en Mij voor altijd niet meer uit hun gedachten zouden laten gaan.
Zij wisten, dat zij aan hun medemensen moesten uitdelen, precies zoals
Ik Zelf aan hen het brood en de wijn uitdeelde.
En zo benoemde Ik wel Mijn discipelen in hun ambt, waarvoor Ik hen opgeleid
had. Maar nimmer stelde Ik zo'n avondmaalsviering in, zoals jullie mensen
het uit Mijn Woorden afgeleid hebben. Het was nooit Mijn wil, dat jullie
mensen een handeling verrichten en van daaruit op een uitwerking hopen,
die echter andere voorwaarden vereist dan alleen het tot zich nemen van
brood en wijn.
Begrijp dit, het was de opdracht aan Mijn discipelen, de wereld in te
trekken en het evangelie te verbreiden - de mensen Mijn Woord te verkondigen,
dat in werkelijkheid Mijn Vlees en Mijn Bloed is, het is Brood uit de
Hemel en is onvervangbaar en zal het blijven voor de mensen, die de verbintenis
met Mij zoeken en deze dan ook gevonden hebben, wanneer Ik ze rechtstreeks
kan aanspreken, wanneer Mijn kracht direct bij hen kan binnenstromen en
nu de vereniging plaatsvindt, die zin en doel van het leven op aarde is.
Eerste vereiste is echter, dat de mens zich omvormt tot liefde, want hij
kan Mij Zelf - Mijn Woord, Mijn Vlees en Mijn Bloed - niet in zich opnemen,
wanneer hem de liefde ontbreekt. Ik Zelf ben de Liefde, Ik kan Me alleen
weer met de liefde verenigen. Het is dus onmogelijk, dat Ik Mijn intrek
kan nemen in het hart van een mens, die de uiterlijke handelingen verricht,
die brood en wijn tot zich neemt, maar wiens hart verstoken is van elke
vorm van liefde.
Want onder liefde versta Ik niet een gevoelsmatige opwinding, die op enig
moment op Me afkomt, maar daaronder versta Ik een overwonnen eigenliefde,
die zich uit in liefde tot de naaste en die Mij nu ook de liefde tot Mij
bewijst. Dat is dan een ware vereniging met Mij, waarin Ik hem nu kan
aanspreken, waarin hem Mijn Vlees en Mijn Bloed wordt aangeboden, de Kracht
van Mijn Woord. En dan zal de mens ook voortdurend Mij gedenken, hij zal
alles beginnen en beëindigen met Mij, hij zal voortdurend moeite
doen naar Mijn Wil te leven, en hij zal de weg van de positieve ontwikkeling
gaan - hij zal het doel bereiken, het eeuwige leven en de zaligheid.
Amen |