BD.1798
31 januari 1941
Het uur van de dood
Voor veel mensen is het moment van de dood tot onderwerp van
onoverwinnelijke angst geworden, ze zijn er bang voor en schrikken terug
voor iedere gedachte daaraan, en dit is altijd een teken van gebrek aan
rijpheid van de ziel. Onbewust ervaart de ziel haar gebrekkige toestand
en beseft zij ook de lichamelijke dood als het einde van haar aardse loopbaan.
Ze voelt instinctief, dat ze het leven op aarde niet juist benut heeft,
en daarom is de gedachte aan de dood voor de mens afschrikwekkend. De
onzekerheid na de dood verontrust hem, hij is vol twijfel over een voortbestaan,
maar toch is hij er ook weer niet geheel van overtuigd, dat het leven
definitief voorbij is. En het is juist deze onzekerheid over het "hiernamaals",
wat de mensen angstig maakt voor het uur van het afscheid van deze wereld.
Hoe rijper de mens is, des te minder hindert hem de gedachte aan de dood,
en dat komt voort uit het besef, dat het eigenlijke leven pas na de lichamelijke
dood begint. Het gemakkelijk kunnen opgeven van het aardse leven is de
voorwaarde voor het ingaan in de Lichtsferen, want de mens verlangt dan
niet meer naar aardse goederen; hij heeft de materie overwonnen. Alles,
wat de mens op aarde achterlaat zijn aardse goederen, en die moeten niet
meer worden begeerd, maar graag en met vreugde opgegeven worden. Alles,
wat de mens liefheeft op aarde, moet hij moeiteloos kunnen opgeven, dan
is zijn scheiden van de wereld gemakkelijk. Er moet niets zijn, waaraan
de mens zich hecht, omdat anders zijn loskomen van de aarde altijd een
strijd zou zijn. En daarom moet elke begeerte vroegtijdig worden overwonnen,
opdat de dood op ieder moment op de mens kan afkomen en hem nooit kan
verrassen.
Het verlangen naar God is eveneens doorslaggevend voor het lichamelijke
einde van de mens, want wie naar God verlangt, is gelukkig, wanneer zijn
aardse leven voorbij is. Geestelijk bevindt hij zich al in andere sferen
en hij verlangt alleen nog naar het uur, dat hem definitief daarheen brengt,
waar de geest naar verlangt, waar zijn ware Vaderland is. En daarom kan
het uur van de dood voor de één wel bangheid, angst en schrik
betekenen, maar voor de ander een inwilliging van wat de mens al lang
gedroomd en gehoopt had. Het is voor hem het uur van bevrijding uit iedere
vorm, het betekent voor hem het binnengaan in het eeuwige Rijk, in de
eeuwige Heerlijkheid.
En wat de mens als de dood beschouwt, kan voor hem het binnengaan van
het eeuwige leven zijn, wanneer hij het aardse leven bewust, dat wil zeggen: met
God, geleefd heeft en dus rijp is voor het leven in de eeuwigheid. Het
kan voor hem echter ook werkelijk dood betekenen, en dan bespeurt de ziel
dit en schrikt ze terug voor dit uur, dat echter onvermijdelijk komt,
wanneer de tijd van het aardse leven, dat God de mens gesteld heeft, voorbij
is. En daarom moet ieder mens stilstaan bij het uur van zijn dood en met
het oog hierop zijn aardse leven bewust leven, dat wil zeggen: werken aan zijn
ziel, opdat zij die graad van rijpheid bereikt, die een gemakkelijke en
pijnloze overgang van de aarde naar het eeuwige Rijk waarborgt.
Amen |