BD.4551
28 januari 1949
De Waarom vraag - De val van de engelen - Zonde
Voor de mensen blijft het eeuwig ondoorgrondelijk, wat God
beweegt tot Zijn besturen en werken, want het menselijk verstand doorvoelt
niet, welke motieven aan het zich ontplooien van Gods krachten ten grondslag
liggen; hij begrijpt ook niet de verbanden, omdat hij alleen de uitwerking
daarvan kan zien en ondervinden, wat zich in de oertijd afspeelde in het
geestelijk rijk, in een wereld, waarvan alle zichtbare scheppingen slechts
een zwakke afspiegeling zijn, die nooit ter vergelijking aangevoerd kunnen
worden en die pas geschapen werden als gevolg van datgene, wat zich eertijds
afspeelde in het rijk van de door God geschapen geesten.
Dezen waren de zuiverste uitstraling van Zijn kracht, dientengevolge ook
machtig en krachtig, en ze waren hoogst volmaakt. Gods wil om vorm te
geven was ook overgedragen op zijn schepselen, zodat al Zijn gedachten
ook in hen tot uitvoering aandrongen en derhalve een scheppingswil van
onvermoede omvang deze wezens bezielde, die nu onbegrensd werkzaam werd,
dat wil zeggen: nieuwe scheppingen voortbracht, die zichzelf overtroffen. Deze
nieuwe scheppingen echter waren steeds weer bezielde wezens, hoogst volmaakt,
dus ook tot denken in staat en begiftigd met een vrije wil.
Het eerste wezen dat van God uitging, overstraalde alles met licht en
kracht, want het ontplooide zich uit God Zelf en vond zijn zaligheid in
het voortdurend benutten van zijn onbegrensde kracht. Zijn scheppingen
vermeerderden zich en zijn zaligheid steeg tot ongekende hoogte, door
God waren hem geen grenzen gesteld, maar Hij stelde hem op de proef, omdat
Hij wilde, dat het wezen zich zelf zou herkennen als drager van de kracht
die van God uitgaat.
Deze proef bestond hieruit, dat het wezen - Lucifer - aan zijn schepselen
God als Degene zou voorstellen van Wie zij waren uitgegaan, opdat ook
hij zichzelf ervan bewust bleef, steeds van God de kracht te ontvangen,
die hem tot zijn scheppende werkzaamheid in staat stelde. Hij moest dus
God als Schepper en Bron van kracht erkennen, en zijn zaligheid zou tot
in eeuwigheid onbegrensd zijn. Hij werd niet alleen op de proef gesteld
omwille van deze erkenning, maar hij werd voor de vrije wilsbeslissing
geplaatst, die hem van het geschapen volmaakte wezen tot een uit eigen
vrije wil volmaakt wezen verheffen zou, zodat hij nu als waarachtig goddelijk
wezen zijn macht en kracht kon gebruiken naar Gods wil. En hij faalde.
Hij wilde niet de ontvanger van kracht, maar zelf de krachtbron zijn,
en de volheid van de hem tot beschikking staande kracht achtte hij als
voldoende bewijs. Hij scheidde zich dus wilsmatig af van God, ofschoon
een scheiding van Hem niet mogelijk was, omdat hij zonder God niet meer
bestaan kon. En omdat door zijn wil met gebruik van de kracht uit God
ontelbare wezens ontstaan waren, voelde hij zich als hun schepper, in
het bezit van enorme kracht en macht, en zo maakte hij zich opzettelijk
los van God, uit hang naar hoogmoed en heerszucht. Daardoor werd hij zondig
en hij trok al zijn schepselen met zich mee in de zonde, die weliswaar
nu zelf nog onschuldig waren, maar volledig onder invloed stonden van
hem, die hen het leven geschonken had.
Hun nu gaf God het zelfbeschikkingsrecht, zij mochten het Licht aanschouwen,
zij zagen in hun volmaaktheid ook van waar zij waren uitgegaan in, zij
konden derhalve ook bij God wonen en deelhebben aan Zijn heerlijkheid,
maar het waren er slecht weinige, die zich bij Hem aansloten, die dus
vrijwillig voor God kozen en die als Zijn engelen voortdurend om Hem zijn
en voor Hem werkzaam zijn in het geestelijke rijk. De meerderheid echter
viel, ze sloot zich aan bij haar verwekker, voegde zich uit eigen beweging
naar diens wil en belandde zodoende in een toestand van geestelijke duisternis.
Het besef was hem ontnomen, omdat de werking van de kracht afneemt, zodra
het wezen zich van God verwijdert.
Doch alles was en is kracht uit God, dat eeuwig niet verloren kan gaan
en daardoor op een door Gods wijsheid als succesvol geziene weg tot Hem
terugkeren moet. En deze weg is de gang door de aardse materiële
schepping, die God voor het doel van het terugvoeren van het eens gevallen
geestelijke liet ontstaan. Door deze schepping gaat het geestelijke in
gebonden wil, dat wil zeggen: in de toestand van moeten, de langzame ontwikkelingsgang
opwaarts tot aan het stadium, waar het de vrije wil teruggegeven wordt
en het nog eenmaal voor de beslissing gesteld wordt, zelf de macht te
kiezen, die het wezen toebehoren wil.
Het wezen is belast met de zonde van de toenmalige opstand tegen God,
maar kan zich daarvan vrijmaken met gebruikmaking van de kracht uit God,
die het eertijds afgewezen had, maar deze kracht moet het zich zelf verwerven
door werken van liefde en er bewust om vragen aan God in gebed. Het moet
de vrije wil tijdens het leven op aarde op de juiste wijze gebruiken,
het moet zich weer tot God wenden en Hem als Vader en Schepper van eeuwigheid
erkennen. Dan treedt het weer binnen in de toestand van Licht, het wordt
weer ontvanger van kracht en kan dus weer werkzaam zijn volgens zijn wil,
die nu ook Gods wil is. Het zal scheppen en vormgeven kunnen tot zijn
eigen diepe geluk en daardoor eeuwig zalig zijn.
Amen |