BD.6022
13 augustus 1954
In het huis van de Vader zijn vele woningen
In het huis van de Vader zijn vele woningen. Voor alle zielen
heb Ik de woningen gereed, die overeenkomen met hun rijpheid bij het verscheiden
van de aarde. En daarom zijn ze dan ook zeer verschillend, en ze zijn
zo lang de verblijfplaats voor die zielen, als zij daarmee genoegen nemen,
terwijl ze ook van verblijfplaats kunnen veranderen, al naar gelang de
ziel zich hier zelf op toelegt.
Zoals de gesteldheid van de ziel is bij haar lichamelijke dood, zo is
ook de omgeving, waarin zij zich nu in het geestelijke rijk bevindt; stralend,
licht, het biedt het geestelijke oog heerlijkheden in prachtige harmonie,
zodat de ziel vervuld wordt van een onbeschrijfelijke gelukzaligheid -
of ook donker en koud, armzalig en beangstigend, stormachtig, doods en
bedrukkend, zodat de ziel zich ongelukkig voelt en wenst uit deze omgeving
weg te gaan. En toch kan haar alleen dat geboden worden, wat ze verworven
heeft op aarde, ze kan niet in gelukzalige sferen worden geplaatst, die
ze nooit nastreefde, en er kan haar ook geen licht worden geschonken,
omdat dit haar in haar onrijpe toestand zou verteren.
Maar het staat iedere ziel vrij, of ze haar verblijfplaats verbeteren
wil. En dit verlangen in hen aan te wakker te roepen is het werk van ontelbare
geestelijke wezens, die zich in het Licht bevinden en afdalen in de lichtloze
woningen, om hun bewoners aan te sporen, hun lot en hun verblijfplaats
te verbeteren. Maar ook dit moet zodanig gebeuren, dat het niet de wil
van de zielen bepaalt, maar tot een eigen verlangen leidt. En daarom zijn
de lichtwezens voor hen niet als zodanig herkenbaar, maar voegen ze zich
bij hen in hetzelfde omhulsel, hen smekend om opgenomen te worden, en
proberen dan, de gedachten van deze zielen naar een verandering van hun
huidige situatie te leiden.
De wil van de zielen moet aangespoord worden, zelf hun lot te verbeteren;
en wordt de wil nu opgewekt, dan bevindt zich de ziel plotseling temidden
van noodlijdende zielen, die haar om hulp vragen, en nu beslist ze, of
ze aan deze hulpvragen gehoor geeft, of ze gewillig is en probeert, hen
te helpen. Hoe sterker in haar de drang is, hulp te bieden, des te krachtiger
zal ze zich voelen, en de duisternis zal wijken voor een zwak schemerlicht,
dat de ziel oneindig gelukkig maakt en haar wil om lief te hebben doet
toenemen. En haar omgeving zal onmerkbaar veranderen, omdat het schemerlicht
door alles heen schijnt, tot de ziel alles duidelijk kan zien en haar
toestand aanzienlijk verbeterd lijkt.
Maar het wordt altijd aan de wil van de ziel overgelaten, of ze zich verder
helpend bezig houdt of dat ze met de verbeterde situatie genoegen neemt,
die dan weer verslechtert, wanneer ze ophoudt haar best te doen. Iedere
ziel zal vinden, wat ze begeert - en verlangt ze naar licht, naar liefde
en zaligheid, dan zal zij ook zeker haar doel bereiken en in uitermate
lieflijke streken terecht komen, waar alles lichtdoorstraald is en waar
ze verblijven kan zolang het haar bevalt. Want ze zal ook hetzelfde geven,
wat ze zelf verlangt, en de liefde zal haar wezen veranderen, de liefde,
die haar zelf geschonken wordt door de wezens van licht, wanneer zij niet
volledig weerspannig is. Maar als ze zich niet uit de lichtloze diepten
wil oprichten, zodat ze zich verzet tegen elke hulpverlening en elk voorstel
verontwaardigd afwijst, dan heeft ze eveneens, wat ze begeert; de duisternis,
die steeds meer kwelling met zich meebrengt, om ook zulke zielen nog tot
verandering van hun wil te bewegen.
En daarom sprak Ik de woorden: "In het huis van Mijn Vader zijn vele
woningen". Want er is rekening gehouden met de toestand van iedere
ziel, maar niet één ziel wordt gedwongen, daar te blijven,
waar ze heengevoerd wordt na haar lichamelijke dood, ze zal steeds daar
worden opgenomen, waar haar wil haar heenvoert, ze zal zelf haar woning
gestalte kunnen geven naar haar wil, en zo zal ze uit de diepste sferen
kunnen opstijgen tot lichte hoogten - wanneer zij maar steeds acht slaat
op hen, die haar tegemoet treden als boodschappers van boven, weliswaar
niet door haar herkend, zolang zij zelf nog zonder licht is, maar door
haar wil om lief te hebben zo geroerd, dat de liefde ook in haar zelf
ontstoken wordt en dus ook de weg naar boven vrij is.
De eeuwige Liefde Zelf daalt af in de diepte, om omhoog te trekken, die
zich niet verzetten. Ik verlos ook de zielen uit de duisternis, en ontelbare
lichtwezens nemen deel aan dit werk. Zij bouwen allemaal mee aan de woningen,
om het lot van de zielen te verbeteren, zij stralen allen licht en liefde
uit en lokken daarmee ontelbare zielen uit de duisternis in hun gebied
- waar licht is en kracht en zaligheid.
Amen |