BD.7571
7 april 1960
De ontwikkeling van de ziel - Oergeest
In elke ontwikkelingsperiode wordt wat geestelijks rijp en
ook kan een periode voldoende zijn dat het geestelijke door de scheppingen
gaande, zover opstijgt dat het zich als mens kan belichamen en de laatste
wilsproef met succes afleggen. Maar er kunnen ook meer van zulke perioden
nodig zijn voor deze vergeestelijking van de verharde zielensubstanties,
wanneer de weerstand hiervan zo groot is dat de positieve ontwikkeling
slechts langzaam plaatsvindt en ook het bestaan als mens een gevaar is
dat het geestelijke weer terugzinkt naar de diepte. Want de vrije wil,
die in het stadium als mens moet worden beproefd is doorslaggevend.
Deze vrije wil is echter tevoren gebonden. Het verharde geestelijke is
weliswaar aan de wil van de tegenstander van God ontrukt gedurende deze
ontwikkelingsgang door de scheppingen van de aarde, maar de afzonderlijke
substanties kunnen zich nu niet in vrije wil bewegen, ze zijn integendeel
door de Wil Gods overheerst, dat wil zeggen: ze leggen hun ontwikkelingsgang af
in een toestand van onvrijheid, ze staan onder de Wil van God, Die al
het wezenlijke in de scheppingswerken hun taak toewijst. Door het vervullen
van deze taak onder de wet van "je moet" klimmen ze langzaam
omhoog, dat wil zeggen: hun weerstand neemt af, ze verrichten een dienende taak
overeenkomstig hun bestemming en kunnen langzaam de toestand bereiken
waar hun de vrije wil kan worden teruggegeven. En deze ontwikkelingsgang
vereist een voortdurende wisseling van de uiterlijke vorm, het is een
langzaam opwaarts gaan, het is een zich aanpassen aan de wetten van de
natuur en bijgevolg een onderwerpen aan de Wil van God, al is het ook
onder zekere dwang die het wezen echter alleen maar verlichting bezorgt
en het eens weer de vrijheid moet verschaffen waarin het weer kan denken,
willen en handelen vanuit eigen wil.
En deze gang door de scheppingswerken is niet uit te schakelen als het
geestelijke wezen weer terug moet keren naar God, van Wie het zich eindeloos
ver verwijderd had door zijn afval van Hem, dat het uit eigen kracht nooit
deze verwijdering zou kunnen overwinnen en ook nooit door de tegenstander
van God vrij gelaten zou worden, ten behoeve van deze terugkeer, wanneer God deze
het wezen niet zou ontwringen, juist met het doel van de kluistering in
de materie, in de scheppingen op deze aarde. De tegenstander van God bezit
een recht op het gevallen geestelijke omdat het hem vrijwillig gevolgd
is in de diepte. Maar God bezit hetzelfde recht omdat de wezens uit Zijn
Kracht zijn voortgekomen. Daarom is het ontrukken van dezen uit de macht
van de tegenstander van de kant van God gerechtvaardigd, maar daarvoor
is de tegenstander het recht gegeven dat hij weer kan inwerken op het
geestelijke wanneer het in het stadium als mens over de aarde gaat. En
te dien einde moet het geestelijke weer een graad van rijpheid hebben
verkregen waarin het in staat is zijn wil te gebruiken om vrij te kiezen
voor zijn heer.
Maar het wezenlijke kan niet van God uit plotseling in zo'n toestand worden
verplaatst, het moet de gang omhoog net zo trapsgewijs afleggen zoals
het deze in de diepte heeft gedaan, het moet de weerstand langzaam opgeven
en die kan bij het wezen niet met geweld worden gebroken. En hiervoor
zijn ontelbare omvormingen nodig, door het rijk van de gesteenten, het
planten - en dierenrijk tot aan de mens. Bij elke wisseling van de uiterlijke
vorm vermindert ook de weerstand, want het wezen heeft in de toestand
van "je moet" een dienst verricht, die hem steeds makkelijkere
omvormingen oplevert. Maar de zonde van de afval van God is zo onmetelijk
groot dat de afstand tot Hem daarom ook onmetelijk groot is, wat zoveel
betekent als dat er ontelbare omvormingen nodig zijn om deze afstand te
verkleinen om weer in de nabijheid van God te komen, waarvoor nu alleen
nog de laatste vrije wilsbeslissing nodig is, dat ook de laatste omvorming
van het geestelijk wezen afvalt - dat het wezen weer terugkeert naar de
Vader, van Wie het is uitgegaan.
En deze hele ontwikkelingsgang in de scheppingen van de aarde is een ononderbroken
strijd. Het wezenlijke tracht de uiterlijke vorm open te breken, omdat
het deze als kluister bespeurt, maar het voelt ook elke keer het verbreken
van de vorm als een weldaad, het doet er niet toe op welke trap van rijpheid
het is aangekomen. En daarom is ook de strijd die u, mensen in het dierenrijk
kunt waarnemen, alleen maar wreed schijnend voor uw ogen, terwijl elk
dier de wisseling van zijn uiterlijke vorm steeds weer als een verlichting
gewaarwordt. Daarom is het ook van God uit toegelaten of ook zo gewild,
dat het zwakke ten prooi valt aan het sterke, dat het sterke het leven
van het zwakke kan beëindigen en als het ware daardoor ook nog het wezenlijke
dient ten behoeve van een voortgaande ontwikkeling. Dus zolang het wezen valt onder
de wet van "je moet" is alles door de Wil van God bepaald, ook
zijn einde en zijn nieuwe omvorming. Maar zodra het wezen het stadium
als mens heeft bereikt en zijn vrije wil heeft teruggekregen, treedt de
Wil van God terug. En dan zijn de mens wetten gegeven, waarnaar hij zich
heeft te richten wanneer zijn leven op aarde succes wil hebben. Hij is
nu eenmaal gebonden aan de wetten van de natuur en aan de andere kant
wordt hem de Wil Gods voorgehouden, waaraan hij zich moet onderwerpen,
wil de ontwikkeling doorgaan en tot een (goed) einde worden gebracht,
want het doel is vrij te worden van elke uiterlijke vorm en als vrije
geest binnen te gaan in het rijk van het licht - terug te keren in het
Vaderhuis, bij God, van Wie het wezen eens is uitgegaan.
Amen |