BD.2268
18 maart 1942
Eigenliefde - Een geringe wil om verlossend bezig te
zijn
De wil om verlossend bezig te zijn op aarde is heel gering
te noemen, omdat de mensen door hun levenswandel de afstand tot God hebben
vergroot en die steeds groter wordende afstand ook steeds grotere wilszwakte
betekent. Maar het verwijderd zijn van God betekent ook gebrek aan inzicht
en derhalve is de mens niet op de hoogte van de noodzakelijkheid en de
zegen van het verlossend werkzaam zijn. Hij weet niets over de gevolgen
in het hiernamaals en doet er daarom niets aan de "ver van God zijnde
toestand" te verkleinen. Dit is een zekere gebondenheid van de wil,
want ofschoon de wil van de mens vrij is, heeft de tegenstander toch nog
grote macht over hem en wel dan, wanneer de levenswandel niet beantwoordt
aan de goddelijke geboden. Vrijheid van wil bezit de mens wel, doordat
hij kan handelen en denken zoals het hem goeddunkt, want gedwongen worden
kan hij noch door de kwade macht, noch legt God hem welke dwang dan ook
op. Maar is zijn denken en streven slecht, dan keert hij zich uit vrije
wil naar hem toe, die zijn eigen wil eenmaal heeft misbruikt en deze eigent
zich nu ook de wil van diegene toe, die zich naar hem toekeert. En nu
is het voor de mens moeilijk de vrije wil te gebruiken en dit wordt steeds
lastiger, hoe meer macht hij de tegenstander van God toestaat.
Wil nu de mens vrij worden van zijn macht en ook anderen verlossen of
hen behulpzaam zijn, dan moet hij liefde beoefenen. Want liefde is toch
de tegengestelde kracht aan die van de tegenstander, die totaal liefdeloos
is geworden. Elk werk van liefde maakt de mens vrij, want dan maakt hij
zich los van hem, die de ordening van God omver wilde werpen, die God
als de eeuwige Liefde niet erkende en wiens macht een heersen in algehele
liefdeloosheid is. Verlossende bezigheid is dus elk bezig zijn, waarvan
de drijfveer liefde is.
Maar in de huidige tijd is voor elke bezigheid van de mensen de eigenliefde
bepaald. Ieder mens denkt alleen maar aan zijn eigen voordeel bij zijn
werk, doch het verlangen, de medemensen daardoor te helpen, is maar zelden
aanwezig. En daarom levert zulke arbeid weinig geestelijk resultaat op.
Waren de mensen meer met God verbonden, dan zou de liefde voor het "ik"
steeds zwakker worden en zou de liefde voor de medemens in dezelfde mate
toenemen. En dan zou de mens van binnenuit worden aangespoord om in liefde
te werken, hij zou nu steeds willen helpen en geheel vrij worden uit het
geweld van de liefdeloze macht.
Maar daar de wil om verlossend bezig te zijn slechts zo zelden te vinden
is, heeft de tegenstander grote macht op de aarde. En dit uit zich daarin,
dat hij de mensen aanzet tot steeds grotere liefdeloosheid en dat de mensen
hem gewillig volgen en elkaar bijna overtreffen in werken van verwoesting
en in gevoelens van haat en wraak. En de verwijdering van God wordt steeds
groter tot ze weer geheel ten prooi zijn gevallen aan de invloed van de
boze en dit een algehele geestelijke ondergang betekent, waaraan God echter
door Zijn Macht paal en perk stelt. Hij ontwringt Zijn tegenstander opnieuw
de macht over het geestelijke, doordat Hij dit kluistert in de vorm voor
weer ondenkbaar lange tijd.
Amen |