BD.2221
25 t/m 27 januari 1942
Opvolgers van Petrus - Kerkelijk - wereldse macht
Lees in de Bijbel en u zult inzien dat de Geest der Waarheid
bij de meeste mensen kennelijk verdrongen is. Het Woord van God is u daarom
onthouden, opdat u, die de waarheid zoekt, niet ziende wordt. De kerkelijke
overlevering wordt getrouw opgevolgd, maar in hoeverre deze overlevering
met de leer van Christus overeenstemt, dat wordt niet onderzocht. En hoe
vaak is de zin van het Goddelijke woord niet veranderd? Hoe vaak werd
het Woord van God verkeerd uitgelegd en hoe zelden wordt de verkeerde
uitleg bekritiseerd? Dit misleiden van de mensheid kan niet genoeg naar
voren worden gebracht, het is toch de oorzaak van alle scheuringen en
religieuze strijd geweest. Toen Jezus op aarde leefde sprak Hij van het
Rijk Gods. Van een Rijk dat niet van deze wereld is. Hij sprak
niet van wereldlijke macht, Hij sprak ook niet van kerkelijke macht, van
een organisatie. Hij had het ook niet over mannen die in de plaats van
God zouden heersen over Zijn gemeente. Hij sprak alleen tot Zijn discipelen:
"Ga heen en onderwijs alle volkeren". Hij gaf hen de opdracht
de mensen te onderwijzen in Zijn leer van liefde, en Hij beloofde hen
Zijn medewerking als ze in Zijn Geest één bleven. Want zoals
zij de liefde onderwezen, moesten zij ook zelf in liefde leven, en dan
was God, Die de Liefde is, ook Zelf met hen. Waar echter de liefde regeert
daar is elke heersende macht overbodig. Waar de liefde regeert dient de
één de ander. Waar de liefde regeert daar zijn geboden overbodig
behalve het gebod van de liefde, dat aan de mensen gepredikt moet worden
omdat God dat Zelf heeft gegeven. Wat de liefde leert is volgens Gods
wil. Wat evenwel aan deze geboden werd toegevoegd is niet naar de Wil
van God, want om te gebieden is een heersende macht vereist.
Maar de mensen moeten als broeders en zusters met elkaar leven, alleen
onderdanig aan de Wil van God, als zij Gods Rijk willen verwerven.
Zij moeten zich volstrekt niet tegen de wereldlijke macht verzetten, die
God heeft ingesteld voor tucht en orde als die overtreden wordt. Maar
toch is Zijn Rijk niet van deze wereld. In Zijn Rijk is Hij alleen de
Heer en Machthebber. Hij heeft waarlijk geen mensen op aarde nodig die
Hem vervangen en hun macht uitoefenen tegenover de medemensen. Maar waar
wijst een Woord van de Heer gedurende Zijn leven op aarde op zo'n macht?
Hij leefde in liefde, Hij gaf liefde en onderwees liefde. Ware liefde
echter schakelt een willen heersen uit. Het sterkere mag niet beslissen
voor het zwakkere, zelfs daar niet waar het vervullen van de Goddelijke
geboden onderwezen wordt. Want wat onder dwang wordt gedaan heeft niet
heel veel waarde, al is het nog zo edel en goed. Pas als de vrije wil
in de mens werkzaam is geworden, zijn deze handelingen waard door God
gezien te worden. Zodoende verlangt God alleen de vrije wil van de mensen.
Nooit echter hebben de mensen op aarde het recht om eigenmachtig bij de
Goddelijke geboden die van henzelf te voegen. En nog veel minder mag het
onderhouden van deze geboden de mensen als een plicht worden opgelegd
- dus geëist onder bedreiging van tijdelijke of eeuwige straffen.
Want om deze straffen te ontgaan wordt nu een gebod nageleefd, waar anders
geen aandacht aan zou worden geschonken. Dus kan het onderhouden van zulke
geboden onmogelijk een grote waarde hebben voor God en voor de eeuwigheid.
Toen de discipelen de opdracht van Christus uitvoerden en het evangelie
uitdroegen in de hele wereld, was ook het werkzaam zijn van God duidelijk
zichtbaar. Want zij genazen zieken in Jezus' Naam, zij dreven boze geesten
uit en deden wonderen, om te bevestigen wat zij onderwezen. Want Gods
Geest was met hen en in hen. Alles wat zij volbrachten was het werken
van Gods Geest. Zij verkondigden de leer van Christus, de Goddelijke
leer van de liefde, en leefden hun medemensen eveneens deze liefde voor.
En dat schakelde de wil tot heersen geheel uit, want zij waren als broeders
en zusters onder elkaar en dienden elkander in liefde. Dit was de taak
die Jezus Christus Zijn discipelen opdroeg voor hun verdere werkzaamheden.
Maar Hij heeft niet één van Zijn apostelen aangesteld als
opperhoofd of als leider, naar wie alle anderen zich voegen moesten. Maar
wat nadien ontstond week geheel af van dat wat de Heer Zelf vertegenwoordigde.
Er werd een kerkelijk-wereldlijke macht in het leven geroepen die het
gebod van de liefde in zo'n vorm goot, dat die niet meer overeen kwam
met hetgeen Jezus Christus de mensen Zelf heeft geleerd. Het dienen in
liefde werd nog wel verlangd, maar het werd niet meer zelf beoefend. En
dat was van diepgaande betekenis, want er ontstond weer hetzelfde wat
Jezus Christus had gebrandmerkt tijdens Zijn leven op aarde. De mensen
werden verplicht tot dat wat zij uit eigen vrije wil moesten doen. En
mannen van aanzien, rang en waardigheid betitelden zich als opvolgers
van de apostelen, die toch in grote armoede hun ambt bekleed hadden. Evenzo
bestempelde een bouwwerk met een enorme ontplooiing van pracht zich als
de "alleen zaligmakende kerk" die Jezus Christus zou hebben
ingesteld met de woorden: "Jij bent Petrus, de rots".
Deze woorden zijn door mensen die naar macht streefden zo uitgelegd zoals
zij ze zelf konden gebruiken. In geen geval hebben deze woorden de betekenis
dat Petrus de stichter van een kerkelijke macht is, en dat de machthebbers
van deze kerk de opvolgers van de apostelen zijn - van die apostelen,
die zonder rang en waardigheid alleen het evangelie van de Goddelijke
liefdeleer in de wereld verkondigden. Petrus was de gelovigste van hen
en Jezus plaatste zijn sterk geloof op de voorgrond met de woorden: "Jij
bent Petrus, de rots, op deze rots wil Ik Mijn kerk bouwen". Jezus
noemt de gemeenschap van gelovigen Zijn kerk, want zij die het Rijk Gods
willen verwerven moeten zich in diepste gelovigheid aaneensluiten en zo
Zijn kerk vormen. Zo is het Zijn Wil, en deze Wil bracht Hij in de genoemde
Woorden tot uitdrukking.
Het is echter niet Zijn Wil, dat hoge en hoogste waardigheidsbekleders
zich als hoofd van zo'n gemeenschap voelen en ook hun macht zodanig gebruiken.
En ook niet dat talloze gebruiken en ceremoniën de eigenlijke kern
onbelangrijk laten worden, dat wil zeggen dat de Goddelijke leer van de
liefde onopgemerkt blijft door louter uiterlijkheden waar teveel waarde
aan wordt gehecht en zodoende de eigenlijke zending van de apostelen,
de wereld in te gaan om het evangelie te verkondigen, niet meer erkend
wordt. Wel kunnen er ook onder die machthebbers nog mannen zijn naar Gods
hart, en hun zal Hij ook waarlijk Zijn Geest en Zijn Genade niet onthouden.
Maar hun wijsheid is dan niet het gevolg van hun positie of hun hoge ambt
dat ze bekleden, maar hun juiste levenswandel voor God. Dezen zijn dan
de ware opvolgers van Petrus, want zij zijn sterk in het geloof. En uit
de sterkte van het geloof putten zij de wijsheid, want dan zijn zij als
een rots waaruit het levende water stroomt. Zij zijn dan de ware vertegenwoordigers
van de kerk van Christus, die be-staat uit de gemeenschap van gelovigen.
Amen |