BD.2313
24 en 25 april 1942
Voortijdige verwoestingen en de gevolgen
Voor elke materie is, voor het rijp worden van het geestelijke
dat ze in zich draagt, een bepaalde tijd van haar bestaan gesteld, die
door het geestelijke zelf niet naar believen kan worden verkort. Alleen
de wil van de mens staat het vrij, het geestelijke vrij te maken van de
materie, oftewel de tijdsduur van zijn verblijf naar believen te verkorten.
Want de taak van de mens is de materie om te vormen en steeds weer nieuwe
dingen te scheppen, die weer verblijfplaats van het geestelijke worden.
Dus is het in zekere zin aan de vrije wil van de mens overgelaten, hoe
lang het geestelijke in een bepaalde vorm mag verblijven. En steeds weer
zal deze wil ook de Wil van God zijn, als het werk van de mens de omvorming
van de materie betreft en zolang het doel van zulke nieuwgeschapen vormen
weer een dienen is. Alles, wat door menselijke wil uit de materie tot
stand wordt gebracht, moet weer dienen tot welzijn van de mensheid. Dan
stemt de tijdsduur van het uiterlijke omhulsel van het geestelijke helemaal
overeen met de Wil van God.
Maar wordt door de menselijke wil een uiterlijke vorm te vroeg opgelost
en wordt aan het werk, dat nieuw moet ontstaan, geen dienende taak gesteld,
dan is dit een ingreep in de goddelijke ordening. De ontwikkelingsgang
van het geestelijke wordt onderbroken of het geestelijke wordt tot een
bezigheid gedwongen, die geen enkel schepsel op aarde ten goede komt.
Het geestelijke wordt door mensenhand verhinderd om door dienen rijp te
worden.
Tegelijkertijd matigt de mens zich echter aan, scheppingen voortijdig
te verwoesten en ervoor te zorgen, dat daardoor het geestelijke in deze
scheppingen vrij komt, wat op het gehele geestelijke leven een ongewoon
nadelige uitwerking heeft. Want het geestelijke voelt erg goed, dat het
nog niet de vereiste rijpheid heeft voor zijn volgende belichaming op
aarde. En het probeert daarom zich op de mensen af te reageren, wat geen
gunstige invloed voor dezen betekent.
Het geestelijke kan niet eerder een nieuwe vorm bewonen, dan tot de oude
vorm totaal is overwonnen. Bijgevolg wordt zeer veel geestelijks in de
komende tijd vrij van zijn uiterlijke omhulsel en kan het de mensen zo
lang in het nauw brengen, tot zijn tijd voorbij is en het nu de nieuwe
vorm tot verblijfplaats kan nemen.
Het nog onrijpe geestelijke, wiens ontwikkelingsgang werd onderbroken
door voortijdige verwoesting van de materie, waarvan de reden de liefdeloosheid
van de mensen is, gebruikt zijn vrijheid op een manier, die de mensen
niet tot voordeel strekt. Het houdt zich nog zo lang in de verwoeste materie
op, als er zich nog niet verwoeste delen in bevinden en het wacht op zijn
nieuwe omvorming.
Maar waar het materiaal onbruikbaar is geworden, daar zoekt het geestelijke
zich een andere verblijfplaats. Het brengt vooreerst de mensen in het
nauw, al naar gelang hun verlangen naar bezit groot was. En wel stelt
het zich aan deze mensen steeds weer voor als datgene, wat de mens heeft
verloren, en tracht het diens begeerte op te roepen en de wil aan te sporen
hetzelfde te laten ontstaan, om zich daarin weer te kunnen belichamen.
En dit betekent voor de mensen vaak een smartelijke toestand, omdat hem
daartoe de mogelijkheid ontbreekt. En deze smartelijke toestand is het
zich uiten van dat onrijpe geestelijke, dat zich voor zijn onderbroken
ontwikkeling op de mens wil wreken.
Maar zodra de mens zijn gehele kracht inschakelt om zich van deze verwoeste
materie te ontdoen, houdt ook het lastig vallen van de kant van het geestelijke
op, zoals al met al de gehele instelling van de mens tegenover de materie
maatgevend is, hoe lang het geestelijke zich in diens nabijheid ophoudt
en hem bedreigt. Hoe groter het verlangen was en nog is naar de materie,
des te grotere invloed heeft het geestelijke en des te meer gebruikt het
zijn invloed om het verlangen van de mens nog te vergroten.
Waar het niet door menselijk werk mogelijk is, dingen te laten ontstaan
die dit geestelijke weer in zich bevatten, brengt het andere scheppingen
in het nauw. Het probeert zich ermee te verbinden en hun bezigheid te
beïnvloeden, wat zich uit in verschijnselen, die van het natuurlijke
afwijken, dus in onregelmatigheden, die in het bijzonder in de plantenwereld
aan het licht komen. De onrijpe wezens grijpen verstorend in de goddelijke
ordening in, zonder door God gehinderd te worden, opdat de mensen inzien,
dat elk werk van verwoesting, elke voortijdige vernietiging uit onedele
motieven, ook weer een verstorende of in strijd met de wet zijnde uitwerking
heeft.
Het geestelijke, dat voortijdig vrij wordt, is niet krachteloos en kan
in vrije toestand steeds het geestelijke, dat op gelijke of hogere trap
van ontwikkeling staat, in het nauw brengen of beïnvloeden. En het
gebruikt zijn vrijheid op een manier, dat het zich bij dit geestelijke
aansluit en er als het ware samen werkzaam mee wil zijn. Dus nu willen
twee intelligenties zich door één scheppingswerk uiten.
Het zijn weliswaar steeds alleen maar pogingen, want het geestelijke in
de vorm verweert zich er tegen, maar toch wordt het enige tijd in zijn
regelmaat gestoord. En dit heeft afwijkingen tot gevolg, die weliswaar
geen verstrekkende gevolgen hebben, maar die toch merkbaar zijn. Want
God laat het geestelijke op deze manier wel een compensatie zoeken en
vinden, maar beschermt de andere scheppingswerken tegen belangrijke veranderingen
door zulke wezenlijkheden, die nog helemaal onrijp zijn.
Alleen moeten de mensen daaraan herkennen, dat elk vergrijp tegen de goddelijke
ordening zich weer zo doet gevoelen, dat de goddelijke ordening omver
wordt gegooid. En dat tot nadeel van de mensen, ofwel door vertraagde
groei in de plantenwereld of misoogsten, of ook invloeden door slecht
weer, die eveneens vaak het zich afreageren van zulke vrij geworden geestelijke
wezens in de natuur, in de wolken of in de lucht zijn.
Zeer vaak is de oorzaak de menselijke wil zelf, die scheppingswerken voortijdig
verwoest en daardoor zelf de plantenwereld ongunstig beïnvloedt.
Want het vrij geworden geestelijke blijft niet werkeloos, maar zoekt nieuwe
omvormingen en een nieuw werkterrein, ook wanneer het daar nog niet de
benodigde toestand van rijpheid voor heeft, tot het een bij zijn toestand
van rijpheid passende omhulling heeft gevonden en zijn ontwikkelingsgang
kan voortzetten.
Amen |