BD.3682
10 februari 1946
Gebed in deemoed
Tot het ware gebed hoort ware deemoed van het hart, dan pas
is het Mij welgevallig, want de deemoed tegenover Mij is ook een bewijs
van liefde tot Mij, omdat de liefde nooit wil heersen, integendeel dient.
En wie Mij dus met gevoelens van liefde in het hart iets vraagt, die zal
ook alleen maar deemoedig voor Mij kunnen verschijnen, en diens liefde
beantwoord Ik en schenk hem Mijn genade. Wie het echter aan ware deemoed
ontbreekt, diens gebed is slechts een angstroep tot Mij, Die hij wel in
z'n hart erkent, maar niet bemint, omdat hij zelf nog geen pure liefde
is geworden en, omdat hij zelf zijn naaste geen liefde betoont en, daarom
ook van Mij geen liefde en genade ontvangen kan.
Dit is ook vaak de reden dat verzoeken onvervuld blijven, want Ik verlang
de deemoed van het hart omdat ze het bewijs is van liefde voor Mij. Deemoed
van het hart schakelt elke aanmatigende gedachte en liefdeloos handelen
uit, want liefde en deemoed gaan tezamen, niet echter tegen elkaar. Daarom
is Mij een deemoedig hart welgevallig en Ik overlaad het met genade en
liefde.
De diepe deemoed ligt echter niet in de uiterlijke manier van doen van
de mens, want hieraan heb Ik een grote hekel. De deemoed tegenover Mij
komt alleen tot uitdrukking in het gebed, de deemoed tegenover de naaste
in dienende naastenliefde. Uiterlijk gedrag echter spiegelt vaak deemoed
voor, terwijl het hart hier niets van voelt. Maar Ik kijk op de bodem
van de ziel, Ik laat Me niet misleiden door de schijn, en daarom zal het
blijk van Mijn genade zelden daar te vinden zijn, waar naar buiten toe
de schijn van deemoed gewekt wordt, waar de medemensen de deemoed menen
te zien in gebaren, de houding of deemoedig klinkende woorden.
Ik let alleen op de deemoed van het hart en zulke mensen bedenk Ik (met
genade) ofschoon ze naar buiten toe hun mannetje staan en geen onderworpenheid
ten toon spreiden. Wie echter in dienende naastenliefde werkzaam is, laat
zich daar niet op voorstaan en blijft altijd een dienaar van de Heer,
want hij vervult Mijn gebod, hij doet zoals zijn Heer bevolen heeft, hij
onderwerpt zich aan Mijn Wil zonder ertoe gedwongen te zijn.
En als hij dus tot Mij bidt, zal zijn verzoek eveneens dat van een dienaar
tegenover zijn Heer zijn, of dat van een kind tot de Vader aan Wie het
kind zich in liefde onderwerpt en Hem diep deemoedig zijn zorgen toevertrouwt,
het zal niet eisen maar smeken, een teken van deemoed, het erkennen van
Diegene Die hem het verzoek kan vervullen, een erkenning van Zijn Macht
en Liefde, en zijn verzoek blijft niet onvervuld.
Bid op de goede manier, dan zult u ook altijd verhoord worden. Vraag,
maar eis niet. Blijf diep deemoedig in uw hart, opdat Mijn genade u kan
vervullen en weet dat Ik nooit een uiterlijk teken nodig heb, dat uiterlijke
tekens Mij nooit welgevallig zijn, omdat ze makkelijk een dekmantel zijn
voor diegenen die niet uitermate waarachtig zijn, die willen misleiden
en wier harten andere gevoelens hebben dan het lijkt. Betoon daarom die
anderen ook geen achting of volg ze na, maar dien in liefde uw naaste
en de ware deemoed van het hart zal u sieren, waarin Ik welbehagen vind
en die Ik met rijke genade belonen kan.
Amen |