BD.6948
18 oktober 1957
Het overschatten van materiële goederen
U probeert alles uit het leven te halen wat het u biedt. Met
al uw zinnen streeft u naar de goederen van deze wereld. U vermeerdert
uw bezit en verzamelt ijverig aardse schatten. U denkt er niet eenmaal
over na hoe waardeloos alles is wat u begeert. U denkt er niet over na
wat materie eigenlijk is en in welke verhouding u al tot deze staat. De
materiële goederen moeten u weliswaar van dienst zijn, u zult ze
u dienstbaar kunnen maken, maar u mag u er niet door laten beheersen.
En dat doet u wanneer uw denken en streven uitsluitend het verkrijgen
van materiële goederen geldt.
Dan bent u al de slaaf van de materie geworden, of ook de slaaf van diegene
van wie de materiële wereld het domein is. Want welke materie dan
ook, het is het van God eens afgevallen geestelijke, dat zich door zijn
weerstand tegen God verhardde en nu door Gods wil wordt gedwongen dienend
werkzaam te zijn, om weer uit de verharde toestand weg te komen.
Maar de mens was eens daaraan gelijk. Het van God afgevallen geestelijk
had zich na eindeloos lange tijd weer omhoog gewerkt door onvrijwillig
dienstbaar te zijn, het mocht het materiële omhulsel afleggen en
heeft nu weer tot op zekere hoogte de vrijheid teruggekregen, om nu ook
van zijn laatste materiële omhulsel vrij te worden door een juiste
verhouding tot God en ook tegenover de materie, die het dus had overwonnen.
Hij moet de materie helpen om te dienen, maar hij mag zich er niet zelf
door laten beheersen.
Maar het gedrag van de mensen bewijst het laatste. De zucht naar de materie
is buitengewoon groot geworden. De mensen leven alleen nog in deze richting,
met de bedoeling voor zich dus te verkrijgen wat de wereld hun biedt.
En de vreugde over het bezit is een openlijke toewijding aan degene van
wie ze zich los moeten maken, wat hun taak op aarde is. Want wie de wereld
begeert met haar goederen, heeft geen verlangen naar het rijk dat niet
van deze wereld is. Want wie de wereld begeert, denkt weinig of helemaal
niet aan zijn God en Schepper. Hij staat niet in de juiste verhouding
tot Hem, hij is niet het kind dat zijn Vader zoekt.
Hij gaat nog veel om met hem, die de heer is van de materiële wereld,
en stuurt weer terug aan op hem, uit wiens macht God hem door de gang
door de schepping al zover had geholpen, dat het gemakkelijker voor hem
is, zich op aarde geheel van hem los te maken. Maar nooit kan de mens
dit losmaken voltrekken, wanneer hij zich niet tevoren los maakt van de
begeerte naar die aardse goederen.
Pas wanneer hij die leert verachten, wanneer hij ze niet meer waarde toekent
dan dat ze hem dienen naar goddelijke ordening, pas wanneer geestelijke
goederen hem waard zijn om naar te streven, kan hij het laatste in ontvangst
nemen en dus de overgang voltrekken van deze wereld naar het geestelijke
rijk. En dan pas slaagt hij erin zich ook volledig los te maken van de
heer van deze wereld.
En dit zou iedereen kunnen doen, wanneer hij zich maar eens de waardeloosheid
van aardse goederen voor ogen zou willen houden, waneer hij er eenmaal
over na zou denken wat zelfs het meest begerenswaardige van deze wereld
voor waarde heeft in het uur van zijn dood, dat hij zelf niet kan bepalen,
maar dat hem op elke dag beschoren kan zijn. De mens leeft en denkt daarom
ook alleen aan het leven, maar niet aan de dood, die hem net zo zeker
is, en hij schudt de gedachte daaraan onwillig van zich af. En toch weet
hij, dat hij niets met zich mee kan nemen naar het rijk hierna, wat hij
zich in het leven op aarde heeft verworven.
Toch laat hij zich door de gedachte beheersen, het aardse leven zo mooi
mogelijk vorm te geven. En hij wordt in deze zin steeds weer door de tegenstander
Gods beïnvloed, zodat de begeerte naar materiële goederen steeds
groter wordt, omdat de één de ander probeert te overtroeven
en niemand eraan denkt hoe arm hij in werkelijkheid is en in welke nood
hij zal overgaan in het geestelijke rijk, wanneer zijn uur is gekomen.
Maar de mens kan zich niet én aardse én geestelijke goederen
tezamen verwerven. Op het einde van zijn leven op aarde zal alleen diegene
rijk gezegend zijn, die de goederen van deze wereld de baas is geworden;
die er alleen naar heeft gestreefd geestelijke schatten te verzamelen,
die duurzaam zijn tot in alle eeuwigheid.
Amen
|