BD.7056
5 maart 1958
De strijd van Jezus tegen de verzoekingen
Ook Mijn leven op aarde was aan dezelfde verzoekingen en gevechten
blootgesteld als die u hebt te overwinnen. Ook Ik moest worstelen om alle
substanties van het aardse lichaam in de juiste ordening te brengen. Ook
Ik kende de begeerten en moest er tegen vechten, want Ik was met dezelfde
zwakheden behept die u veel last bezorgen en alleen de wilskracht in Mij
werd ze de baas.
En daarom deed Ik Mijn lichaam geweld aan. Ik liet het niet de macht over
Mijn ziel verkrijgen, maar Ik overwon het en kon dit op grond van de liefde,
die in Mij opgloeide als Ik Me te midden van de geknechte mensheid begaf.
Ik zag de nood om Me heen, die zowel aards als ook geestelijk op de mensheid
drukte. En het vurige verlangen ontbrandde in Me om hen te helpen. Daarom
lette Ik niet op het lichamelijke verlangen in Me, Ik voldeed er niet
aan, want Ik wist dat Ik alleen maar zwakker zou zijn geworden in Mijn
wil om te helpen, als Ik acht had geslagen op Mijn lichamelijke begeerten
en ze had vervuld.
Maar het was een zware strijd, want van alle kanten drongen de verzoekingen
zich aan Mij op en het menselijke in Me vroeg om vervulling. Maar Mijn
ziel keerde zich tot God. Ze zocht steeds meer de verbinding met de Vader,
naarmate de verleidingen heftiger werden. En ze ontving daarom ook steeds
meer kracht, omdat deze band nooit zonder uitwerking bleef.
Ik had waarlijk geen gemakkelijk leven op aarde af te leggen, tot de algehele
vereniging met de Geest van de Vader had plaatsgevonden. Want Ik was een
mens, net als u. En Ik moest eerst hetzelfde doen, wat ook uw taak is:
de liefde tot de hoogste ontplooiing brengen om daardoor God, de eeuwige
Liefde, in totale volheid in Mij te kunnen opnemen, dus de definitieve
aansluiting met Hem vinden, die ook uw doel op aarde is.
En ofschoon Mijn ziel uit het lichtrijk was, werd ze toch door haar vleselijk
omhulsel buitengewoon in het nauw gedreven. De materie was als uw lichaam
en bestond daarom uit geestelijk onrijpe substanties waar de tegenstander
nog macht over heeft, die hij voortdurend aanzette tot begeerten en hartstochten
van allerlei aard. Dat Ik hier niet aan ten prooi viel, bracht alleen
de liefde in Mij tot stand, die de wil in Mij sterker maakte om weerstand
te bieden.
En het verblijf in de duistere, zondige omgeving, gaf ook de verderfelijke
geesten van buiten de gelegenheid het lichaam lastig te vallen en het
verlokkende beelden voor te spiegelen, welke de zinnen benevelen en Mijn
weerstand moesten verzwakken. Maar Ik mocht deze verderfelijke geesten
niet wegdringen. Ik moest proberen ze zachter te maken. Ook tegenover
hen moest Ik de liefde naar voren laten treden, omdat Ik inzag dat ook
zij deerniswekkende wezens waren, die de tegenstander in zijn macht had
en die eens van hem zouden moeten worden verlost. En daarom mocht Ik niet
met geweld tegen deze kwade geesten optreden, maar moest Ik Me in geduld
en zachtmoedigheid oefenen. Ik moest hen weerstaan en door Mijn wil om
lief te hebben hen zachter maken, tot ze van Mij afzagen.
Ik was een mens en heb moeten strijden en lijden als een mens, omdat dit
alles bij het verlossingswerk hoorde, dat Ik voor Mijn gevallen broeders
wilde volbrengen. Want Ik wilde tegelijkertijd ook de mensen tonen op
welke manier ze meester over hun zwakheden en begeerten kunnen worden.
Ik wilde hun het leven voorleven, dat ook hen zou moeten helpen vrij te
worden en zich aaneen te sluiten met de Vader van eeuwigheid. Ik wilde
hen bewijzen, dat het mogelijk is alle verzoekingen te weerstaan met de
kracht van de liefde, dat dus de liefde eerste en laatste voorwaarde is
om het aardse leven te kunnen afleggen met het succes, volmaakt te worden
en zich met God te verenigen.
De liefde in Mij gaf Mij als mens het besef van de reden van de ongelukkige
toestand, zoals ook u mensen door de liefde pas tot het juiste inzicht
zult kunnen komen. En de liefde in Mij gaf Mij ook de sterke wil om het
werk van verlossing te verwezenlijken, ten behoeve waarvan Mijn ziel zich
op aarde had belichaamd. Ik wist als mens, dat Ik alleen met de kracht
van de liefde uit God dit werk zou kunnen volbrengen. En daarom vroeg
Ik om de Liefde. Ik smeekte haar zich aan Mij te schenken en Ik maakte
dus Mijzelf ook gereed de kracht van de liefde van God in Me op te nemen.
Ik trachtte alle begeerten te weren. Alle onzuivere gedachten, die de
tegenstander in Mij wilde wekken, belette Ik de toegang. Ik stelde steeds
weer Mijn liefde tegenover hem, waarvoor hij moest wijken. En zo nam spoedig
alleen de liefde Mijn hart in beslag. Ik verbond Me steeds inniger met
de eeuwige Liefde, die zich aan Mij schonk en Mij nu ook krachtig deed
worden, zodat Ik met een sterke wil de eindbestemming van Mijn bestaan
op aarde tegemoet ging.
Desondanks hield de tegenstander niet op steeds weer Mijn lichaam buitengewoon
te kwellen, doordat hij Mij steeds meer in verzoeking bracht, hoe duidelijker
hem Mijn voornemen werd. En Ik moest strijden tegen hem tot aan Mijn einde.
Steeds weer kwam het menselijke in Mij tevoorschijn, zodat Ik in Mijn
zwakte tot de Vader bad: "Als het mogelijk is, laat dan deze kelk
aan Mij voorbijgaan."
Maar de band met de Vader was sterker en Ik gaf Me volledig over aan Gods
wil. Ik zag de grenzenloze ellende van de mensheid en de steeds sterker
wordende liefde was bereid tot het reddingswerk voor deze mensheid.
Een Mens leed en stierf de dood aan het kruis. Doch deze mens was alleen
het omhulsel van Mijzelf. Ik kon Mijn intrek nemen in hem en het was de
Liefde, die het verlossingswerk volbracht. Het was de Liefde, welke de
zondeschuld van de mensheid teniet deed. En deze Liefde was Ik Zelf.
Amen |