BD.5610
24 en 26 februari 1953
Het wezen van satan - Val en verlossing
De ontzaglijk verre verwijdering van hem die zich eens tegen
Mij, de alles leven gevende Kracht, verhief, heeft ook de uitwerking van
Kracht enorm verkleind en zo heeft het geestelijke dat eens vol leven
en kracht was, zichzelf van de Kracht beroofd en uiteindelijk zich tot
de hardste substantie gevormd, omdat ook de geestelijke substantie verhardt
als ze in deze eindeloos verre verwijdering van Mij niet meer wordt aangeraakt
door de Kracht van Mijn Liefde. Het gebeuren van de verharding van geestelijke
substantie heeft hetzelfde te betekenen als het ontstaan van aardse materie,
die door Mijn Wil tot vorm werd. De gehele schepping is in diepste grond
zo'n verharde stubstantie, geestelijke Kracht die eens van Mij is
uitgegaan, die echter als iets hoogst volmaakt wezenlijks van Mij uitging.
Dit wezenlijke werd in zijn volmaaktheid voortdurend doorstraald met de
Kracht van Mijn Liefde en daardoor, net als Ik, in staat onbeperkt te
scheppen en te werken.
Ik ben de Oerbron van alle Kracht en van deze Krachtbron is al het bestaande
afhankelijk. Er bestaat niets buiten Mij wat zelfstandig over Kracht beschikt,
en een loslaten van Mij en Mijn Kracht betekende dus ook totaal vergaan
daar er vanuit geen enkele andere zijde een toevoer van Kracht mogelijk
zou zijn. Maar een losmaken van Mij is ook niet mogelijk, omdat Mijn Kracht
eeuwig niet kan vergaan en ook eeuwig niet deelbaar is, doch zich eindeloos
ver van Mij verwijderen kan dat wat uit Mijn Kracht is voortgekomen, en
verwijdering betekent dat de Kracht aan uitwerking verliest dus dat wat
zich heeft verwijderd als het ware onbeweeglijk blijft en zich verdicht
tot vaste substantie, tot materie, wat dus verharde geestelijke substantie
is, welke het vermogen werkzaam te zijn ontbreekt, omdat ze uit het bereik
van de Krachtuitstraling van Mijn Liefde is gestapt.
Dit dus is het lot van het van Mij afgevallen geestelijke, dat op de verste
afstand van Mij staat en toch eeuwig onvergankelijk is. Dit alles is in
de diepste grond toch iets wezenlijks, dat eens in hoogste graad in staat
was te denken, inzicht had en een vrije wil en toch door zijn val al deze
bewijzen van goddelijkheid verloor. In ontelbare partikeltjes werd dit
geestelijk wezenlijke door Mijn Wil opgelost om in een door Mij als succesvol
ingezien genezigngsproces langzaam weer samen te komen wanneer een bepaalde
rijpheids- of louteringsgraad bereikt is, Ik kluisterde dus het
wezenlijke dat eens vrij geschapen werd door de wil van Mijn eerstgeschapen
wezen met gebruikmaking van Mijn Kracht. Maar hoe verging het dit eerstgeschapen
wezen?
Dat wezen dwaalt sedert zijn val als krachtvonk overal heen en probeert
met de hem overgebleven kracht al datgene aan te stralen wat Mijn Wil
hem heeft afgenomen, maar niet om het tot leven te brengen, integendeel,
om zijn kracht te vergroten opdat deze Mij Zelf, dat wil zeggen Mijn Kracht
zal overtreffen. Het door Mijn Wil gekluisterde reageert niet op dit aanstralen,
juist omdat dit hem geen leven geeft. Zodra het echter weer tot wezen
is geworden na een eindeloos lange gang door de schepping, wanneer al
die afzonderlijke partikeltjes weer zijn samengekomen en zich nu als één
geheel belichaamt in de menselijke vorm en daardoor het ik-bewustzijn
weer terugkrijgt, reageert het ook weer op de pogingen van dat eerstgeschapen
wezen, de aan Mij vijandige geest. Het laat zich door de vonk zand in
de ogen strooien, want deze vonk geeft geen licht, integendeel, het is
slechts een schijnlicht dat het oog verblindt om het zo helemaal te verduisteren,
zoals ook zijn kracht ineffectief werd door de afval, door de eindeloos
verre verwijdering van Mij. Zijn wezenlijke zijn is echter gebleven, het
heeft het ik-bewustzijn niet verloren en daarom kan het nog inwerken op
het eveneens ik-bewuste, dus de mens helemaal en totaal met zijn wezenheid
vervullen zonder echter daardoor aan maar een mens gebonden te zijn.
Hij kan dus overal daar zijn invloed uitoefenen waar mensen zijn die zich
door middel van hun wil naar hem keren door hun gezindheid en dus zijn
kracht door aaneensluiting met hem vergroten. Hij gebruikt zijn hem overgebleven
kracht alleen nog om werkzaam te zijn tegen Mij, hij tracht ze voortdurend
te vergroten met behulp van de mensen die zich aan hem overgeven. Dus
is deze vijandige geest wel heel openlijk aan het werk, hij kan ook heel
duidelijk een mens geheel beheersen, maar slechts zolang deze de wilsproef
op aarde moet afleggen.
Heeft hij nu zijn doel bereikt dat hij de mensen voor zich heeft gewonnen,
dan heeft hij echter weer alleen de verharding van geestelijke substantie
bevorderd en zich van zijn kracht ontdaan, zodat hij zelf als het ware
geheel levenloos is, zodra hij zich niet meer aan mensen kan vastklampen
die hem levenskracht schenken. En dit is het geval wanneer er een verlossingsperiode
ten einde loopt, wanneer hij het grootste deel der mensen in de diepte
heeft getrokken, en die andere Mij geheel en al zijn toegedaan. Dan is
hij zelf van zijn kracht beroofd, dan is hij ook in een gekluisterde toestand,
hij ligt in ketens, zolang, tot hij weer bij mensen dezelfde pogingen
kan ondernemen, tot de mensen zelf weer in de toestand zijn dat ze zijn
kracht versterken, tot ze hem als het ware zelf de ketenen losmaken door
hun verkeerde wil die weer gericht is op de materie, die de wil van Mijn
tegenstander weer volgt en zo dus zijn machtspositie weer verbetert, wat
in elke verlossingsperiode steeds duidelijker wordt hoe dichter het naar
het einde toeloopt. Daarom zal elke verlossingsperiode met vredevolle
harmonie, met een waar paradijs op aarde beginnen en eindigen met satanische
werkzaamheid, zolang tot Mijn tegenstander ook het laatste wezenlijke
ontrukt is, tot hij zelf zo krachteloos is dat hij naar Kracht uit Mij
verlangt, tot hij zelf naar Mij zal terugkeren in zijn Vaderhuis dat hij
eens vrijwillig heeft verlaten.
Amen |