BD.6673
18 t/m 20 oktober 1956
Beantwoording van vragen over onbevlekte ontvangenis
In elke aardse en geestelijke nood wil Ik u bijstaan opdat
u gelooft in Mijn Liefde, in Mijn Wijsheid en Macht. Want u, Mijn schepselen
heb Ik oneindig lief en Ik wil ook uw liefde winnen. Ik ken uw nood en
weet ook hoe die is op te lossen en Ik bezit de Macht ze op te heffen.
En hoe graag betoon Ik Mijn Liefde, Wijsheid en Macht aan de kinderen
die zich tot hun Vader wenden en Hem vertrouwelijk vragen hen te gedenken
en hen te helpen. Aardse en geestelijke nood wil Ik van u afnemen, maar
in aardse nood verlang Ik soms uw geduld, omdat Ik alleen weet waarom
ze over u moest komen. Maar Ik neem ze van u af.
Wie zich echter in geestelijke nood bevindt, zal niet lang hoeven te wachten,
want als hij Mij maar aanroept om hem te gedenken, ben Ik ook al bereid
om te helpen. En geestelijke nood is: zielszwakte, dus verzwakte wil,
geestelijke duisternis en steeds terugkerende twijfel. Geestelijke nood
is het werkzaam zijn en de invloed van Mijn tegenstander, die zich heel
vaak juist bij die mensen in de buurt waagt die al de mijnen zijn en die
hij graag weer terug zou willen winnen in zijn macht. En zolang de mens
op aarde leeft, zal hij trachten op hem zijn invloed uit te oefenen en
hem steeds weer willen verzwakken. Doch zodra de mens zich tot Mij wendt,
verdrijft hij hem en Ik laat Mijn Kracht overstromen en breng de mens
licht en inzicht, Ik vervul zijn verzoek om de geestelijke nood af te
wenden.
U zult moeten weten dat het daarom Mijn tegenstander te doen is, het Licht
der waarheid te doven, dat zich met zijn heldere schijn door alle plaatsen
zijn weg baant en de duisternis, het gebied waarin Mijn tegenstander alleen
maar kan werken, verjaagt. Dus zal hij proberen het licht te doven. Hij
zal er schaduwen over willen uitspreiden, doordat hij dus de mens vragen
die twijfelen oproepen influistert en daardoor tracht het licht van het
inzicht te vertroebelen. Maar dit laatste laat Ik niet toe, integendeel
des te helderder zal Mijn licht van de waarheid omlaag stralen en het
licht dat hij trachtte te verduisteren, zal des te helderder licht brengen
in de nacht. En waar er nog ergens een schaduw aanwezig is, wordt deze
door het licht uit Mij dat alles doorstraalt, verteerd, want in dit licht
kan niets bestaan wat donker is. En zo zal het "eeuwige Licht"
u Zelf verkondigen:
U, die op aarde leeft, alsook al het geestelijke dat al een keer door
het aardse leven is heengegaan als mens, bent het geestelijke dat eens
gevallen is, op enkele uitzonderingen na, want er belichamen zich ook
lichtwezens op deze aarde. Dus komen er uit het rijk van het Licht wezens
naar beneden tot u, mensen om u te helpen in diepe geestelijke nood. U
zult dus een onderscheid moeten maken tussen: van God afgevallen geesten
en zij die Hem trouw bleven. De eerstgenoemden bevinden zich als aanhang
van Mijn tegenstander in de diepte, de laatstgenoemden vertoeven in alle
volmaaktheid bij Mij. U zult dus ook 'n onderscheid moeten maken tussen:
degenen die de wil van de tegenstander nog in zich hebben en zij die al
in Mijn Wil zijn binnengegaan, maar nog geen volmaakte wezens zijn en
die daarom nog aan zijn invloed zijn blootgesteld. En dan zult u het ook
kunnen begrijpen dat die laatsten geholpen moeten worden omdat zij tegenover
diens invloed nog te zwak zijn. Dus zal u ook de missie van die lichtwezens
verklaarbaar zijn die zich vrijwillig op aarde belichamen om die te helpen.
En dan begrijpt u ook de missie van de mens Jezus, Die als net zo'n Lichtwezen
een reddingswerk wilde volbrengen dat de macht van Mijn tegenstander brak.
Allen waren kinderen van Mijn Liefde, zowel de gevallen als ook de bij
Mij gebleven wezens, maar deze wezens bleven niet gelijk, ze waren nu
verschillend geworden, er waren stralende wezens en wezens zonder licht,
die ook niet in dezelfde sferen konden vertoeven. En bijgevolg was het
"rijk van het Licht" en het "rijk van de duisternis"
verblijfplaats geworden van deze van aard verschillende wezens. En er
bestond geen brug tussen deze beide rijken tot de menswording van Jezus,
een Engelgeest Die bij Mij was gebleven, Die deze brug wilde slaan en
geslagen heeft door een werk van erbarmen van een eenmalige aard. De
wezens die eertijds hun volmaaktheid inboetten door hun opstand tegen
Mij, hadden een Helper nodig daar ze alleen te zwak waren, ook wanneer
er een brug geslagen was, omdat ook Mijn tegenstander over grote kracht
beschikte, die hij tegenover zijn vroegere aanhangers kon aanwenden. Maar
ook de wezens die bij Mij waren gebleven waren vol kracht, omdat ze zich
onophoudelijk door de Kracht van Mijn Liefde lieten doorstralen. Dus zou
de kracht van een niet gevallen engelgeest volop volstaan hebben een zege
over Mijn tegenstander te behalen en hem zijn aanhang te ontrukken. Doch
dit was in strijd met Mijn wet van eeuwige ordening, omdat dan de vrije
wil van al de wezens die Mijn tegenstander eens vrijwillig gevolgd zijn,
niet geeerbiedigd zou zijn gebleven en een zodanig verworven zege een
vervolmaking van de wezens zou hebben uitgeschakeld.
Dus daarom moest er een andere weg worden gezocht. De Liefde moest een
offer brengen en het moest ieder gevallen wezen vrijstaan van dat offer
gebruik te maken, dus te willen dat het ook voor hem gebracht was. Een
offer brengen kan echter alleen een mens; een lichtwezen kan wel de wil
hebben zich zelf op te offeren, maar het moet dan als mens het offer volbrengen,
omdat het als lichtwezen niet kan lijden en ook over zoveel kracht beschikt
dat hem alles mogelijk is. Maar een mens is een zwak, gebrekkig wezen
dat gevoelig is voor leed en pijn, dat nu een overgrote sterkte van wil
moet opbrengen, wanneer het vrijwillig lijden en kwellingen op zich neemt,
om niet voor zichzelf, maar voor zijn medemensen iets te bereiken wat
zijn Liefde graag zou willen schenken aan de ongelukkige mensen. Het moest
als "alleen maar mens" een offer brengen voor zijn medemensen.
Het moest in staat zijn te lijden en te sterven.
En zo zult u nu begrijpen, dat de mens Jezus helemaal geen voortreffelijke
eigenschappen mocht laten zien die Hem als een mens met een buitengewone
aard kenmerkte, zelfs wanneer Zijn Ziel een Lichtgeest was. Ze was weliswaar
niet door de schepping gegaan zoals de zielen van de mensen, de gevallen
broeders; toch was deze Ziel, toen Zij het vleselijk lichaam betrok, dat
net als het lichaam van andere mensen, een opeenhoping van onrijpe geestelijke
substanties was, dus ook met dezelfde gevoelens, begeerten en hartstochten
vervuld, die de mens Jezus in Zijn aardse leven moets leren overwinnen.
Want zijn missie was, behalve de verlossing, de delging van de zwaarste
zondenschuld, de mensen het leven voor te leven dat hun alleen een terugkeer
naar Mij verzekerde. Werd dus van geheel ontoereikende, zwakke en door
hartstochten gebonden mensen iets verlangd, dan moest het ook mogelijk
zijn dit verlangde uit te voeren. En wilde de mens Jezus als voorbeeld
dienen dan moest Hij net zo geaard zijn als Zijn medemensen.
Uit Zijn ongewone afkomst, net als ook die van de op de aarde belichaamde
lichtwezens die de mensen willen helpen, mag men geenszins opmaken, dat
er sprake zou zijn van ongewone capaciteiten of buitengewone eigenschappen
die een minder harde strijd met zichzelf zouden hebben gevergd, dus om
op aarde de vereniging met Mij te vinden, die doel en opgave is van ieder
mens op aarde en waarvoor de mens Jezus het voorbeeld gaf dat die kan
worden bereikt. Wat Jezus als Lichtgeest ook voor had, offerde Hij op
voor Zijn belichaming als mens, daar Zijn werk anders niet dat zou hebben
kunnen zijn wat het is: een door de Liefde gebracht offer waarvan de zegen
aan alle mensen moest toekomen. Maar het kan ook nooit geloochend worden
dat "God Zelf". dat offer bracht, omdat de Liefde bepalend was,
Die de mens Jezus zo vervulde dat Ik Zelf dus in Hem kon zijn, nadat Hij
als mens Zich in vrije wil zo gevormd had, dat Ik Mijn intrek bij Hem
kon nemen, dat Hij tot opnamevat werd voor Mij en Hij nu dus Kracht en
Licht in Volheid bezat, weer een proces dat niet alleen in de mens Jezus
kon plaatsvinden, maar dat alle mensen bij zichzelf moeten realiseren
en ook kunnen, omdat dezen nu een Helper hebben in de goddelijke Verlosser
Jezus Christus, omdat Hij als mens door Zijn Verlossingswerk een mate
van genade verwierf die nu voor ieder mens toegankelijk is. En wie hiervan
gebruik maakt, komt ook bij zijn doel. Hij zal op aarde eveneens de vereniging
met Mij vinden, hij zal onbegrensd licht en kracht kunnen ontvangen.
Maar er moet u nog verder opheldering worden gegeven, want zolang er nog
vragen bij u boven komen, blijkt ook de noodzaak u het juiste antwoord
te doen toekomen. En hoe inniger u dit antwoord begeert, des te sneller
zal dit ook tot u komen:
De zielen die zich vanuit de diepte hebben ontwikkeld, hebben als laatste
stadium van hun ontwikkeling op aarde de belichaming als mens te verwachten,
dan is de ontwikkelingsgang op de aarde beëindigd en betreedt de
ziel dus het geestelijke rijk, hoe ze ook gevormd is, bij het afleggen
van haar lichamelijk omhulsel. Deze zielen gaan dus hun weg volgens goddelijke
ordening, ze bevrijden zich uit de harde materie door dienstbaar te zijn
en stijgen immers langzaam omhoog. Maar de op de aarde belichaamde lichtzielen
dalen alleen met het doel van een missie af naar de aarde, ze betrekken
dus meteen het menselijk lichaam om dan, wel net als ieder ander mens,
ook de gang over de aarde af te leggen en dus ook aan alle natuurwetten
onderworpen te zijn en net zo op aarde te moeten worstelen. Dus zal hun
uiterlijk omhulsel hun dezelfde eisen stellen omdat het is samengevoegd
uit nog helemaal onontwikkelde geestelijke substanties, uit zielenpartikeltjes
van een eens gevallen oergeest die nog helemaal in z'n tegenstand
tegen God volhardt en die de ziel ook eerst zachter moet maken en veranderen,
wat steeds strijd kost.
Die ziel is zich van haar eerdere staat van licht niet bewust, het aardse
lichaam veroorzaakt voor haar dezelfde verduistering, alleen zal de liefde
in zo'n mens sneller en sterker ontvlammen en dus ook sneller de duisternis
verjagen. Een ziel van boven zal ook steeds haar ogen naar boven richten
tot God, Die ze buitengewoon snel leert herkennen. Zo'n ziel heeft meestal
niet zo'n lange tijd nodig dat ze zich verenigt met de goddelijke geestvonk
in zich, die haar nu makkelijk kan beïnvloeden en nu geest en ziel
ook haar uiterlijk omhulsel trachten te beinvloeden, en dit met succes.
Het feit nu dat de ziel de weg over de aarde aflegt, is steeds met de
vanzelfsprekendheid verbonden, dat de ziel moet strijden, omdat ze in
deze aards materiële wereld voortdurend hindernissen heeft te overwinnen
om het geestelijke doel te bereiken.
Dus kan er geen enkele ziel zonder kwelling opwaarts gaan, ook niet een
ziel van het licht, omdat ze zich bij het begin van haar belichaming in
de diepte heeft begeven, in een toestand van geen inzicht, van gebondenheid
en van zwakte. Dit moet men dus steeds in overweging nemen, wanneer de
weg over de aarde van een belichaamd Lichtwezen als, daarmee in overeenstemming,
makkelijker wordt aangezien. Het aardse lichaam is en blijft een keten
voor de ziel tot ze het verlaat. En toch kan ook het lichaam nog verschillend
zijn. Het vlees kan nog diep in de zonde steken, dus nog veel van het
duivelse in zich hebben, wanneer het geboren wordt uit de zonde, wanneer
alleen maar satanische eigenschappen de mensen beheersen die een nieuw
leven verwekken. En wederom kan een tot leven nieuw verwekt wezen zijn
leven te danken hebben aan de drang lief te hebben van twee mensen, daarom
kunnen overwegend goede aandriften ook in dit wezen zijn binnengestroomd
en dus zal ook het uiterlijk omhulsel daarmee in overeenstemming geaard
zijn. Ze zal veel van het "erfgoed" in zich dragen en dus meer
of minder hard moeten strijden in het aardse leven en daarom ook moeilijker
of makkelijker het doel bereiken. Maar zonder strijd blijft het bestaan
op aarde van geen mens. En vaak is het leven op aarde van een Lichtwezen
zelfs buitengewoon zwaar, omdat de ziel onbewust van de reden ervan, het
verblijf in de aardse wereld als kwelling ondervindt en ook ter wille van
haar missie vaak een zeer zwaar lot op aarde op zich neemt.
Door Adam's falen is nu het proces van de verwekking een ongezegend gebeuren,
want het stemde niet overeen met de Wil van God, Die Zijn zegen op het
juiste moment aan het eerste mensenpaar wilde geven. Lucifer was betrokken
bij de verwekking van de mensen, en hij zal zijn recht, hem door Adam's
wil verleend, ook nooit opgeven. Steeds zal hij betrokken zijn bij het
ontstaan van nieuw leven, ofschoon de graad van liefde van de mensen hem
tot een zekere grens kan weren en Gods bescherming tegen hem wordt afgebeden.
En nu zal het u ook begrijpelijk zijn, dat God Zelf echter Zijn tegenstander
weert, wanneer Hij Zich Zelf een lichamelijk omhulsel schept, dat Hij
eenmaal in bezit wil nemen en dat Hem al bij de geboorte tot woonplaats
moest dienen. Want God Zelf zal Zich nooit of te nimmer verbinden met
Zijn tegenstander in Zijn werkzaam zijn. En evenzo zal Hij ook de natuurlijke
Draagster van dit omhulsel van Hem niet door Zijn tegenstander in beslag
laten nemen. Hij, de God en Schepper van eeuwigheid, Die alles liet ontstaan,
Die aan alles doel en bestemming toewees, heeft waarlijk de Macht alles,
wat Hij wil, buiten Zich te plaatsen, dus zal het Hem toch ook mogelijk
zijn, een mens te doen ontstaan zonder de wettige verwekkingsdaad en het
zal Hem waarlijk ook mogelijk zijn, Zijn tegenstander verwijderd te houden
tot Zijn Wil is geschied.
Want God verschaft Zich alleen onderdak in een zuiver omhulsel, Hij verbindt
Zich niet met iets onreins, wat echter niet uitsluit, dat de mens in dit
rijk van onvolmaaktheid, in het rijk dat aan Zijn tegenstander toebehoort,
nu toch nog aan alle benauwenissen is blootgesteld en dat Zijn weg over
de aarde daarom niet minder smartelijk en, ook vol van strijd is, zoals
die van Zijn medemensen. Want zonder strijd zou er ook geen overwinning
zijn. Maar de tegenstander van God moest overwonnen worden en Jezus heeft
waarlijk standgehouden in de zwaarste strijd, die ooit op aarde werd uitgevochten,
en Hij heeft hem als mens doorstaan, niet als God.
Amen |