BD.7413
20 en 21 september 1959
Het stadium van het ik-bewustzijn
U, mensen bent u van uzelf bewust. En dat is het teken dat
u wezens bent met intelligentie, dat wil zeggen: dat u in staat bent te denken
en bijgevolg wezens bent, die van God afkomstig zijn, die geschapen werden
als Zijn evenbeeld en daarom ook zichzelf bewust waren. Tussen die tijd
en de tijd dat u nu op de aarde bent, ligt echter een eindeloos lange
tijd, waarin u van uw zelfbewustzijn beroofd was. Een tijd waarin u wel
ook als iets wezenlijks de scheppingswerken bevolkte, maar dit wezenlijke
zich niet van zichzelf bewust was, omdat het steeds slechts als deeltjes
van een eens zichzelf bewust wezen door deze scheppingswerken heen ging.
Pas nadat alle deeltjes zich weer verzameld hadden, belichaamde het wezen
zich als mens en ging dan ook weer het stadium van het ik-bewustzijn binnen,
waarin het nu ook een taak te vervullen heeft. Als mens draagt daarom
het wezen nu ook een zekere verantwoordelijkheid voor zijn ontwikkeling,
omdat het verstandelijk in staat is het vóór en tegen van
zijn levenswandel in te zien, dat het dus beoordelen kan welke uitwerking
zijn levenswandel op het eigenlijke "ik" - de ziel - heeft.
Zolang het wezen zich in de voorstadia niet van zichzelf bewust was, had
het ook geen verantwoording te dragen en stond het onder de wet van "je
moet". Het deed wat hem door de Wil van God was opgedragen. Het handelde
instinctmatig, dat wil zeggen: geleid door geestelijke intelligenties die het geestelijke
in de scheppingswerken zo beïnvloeden - dat het 't werk uitvoerde
dat voor hem bestemd was.
Anders is het nu gesteld in het stadium als mens, waarin het wezen over
zichzelf beslissen kan, waarin het denkt en handelt, waarin het als ik-bewust
wezen de volle vrijheid heeft van denken en handelen. En het moet nu bewust
denken en willen en handelen naar de Wil van God, het wordt nu niet meer
door Gods Wil bepaald maar zijn eigen wil moet nu beslissen en altijd
onder inwerking van zijn eigen ik-bewustzijn, want de mens voelt dat hij
over zichzelf beschikt - hij is zich van zichzelf bewust. Hij staat niet
meer onder vreemde invloed maar richt zelf zijn wil naar eigen believen
en hij weet ook dat hij zich ervoor verantwoorden moet, hoe hij zijn wil
richt.
En dat onderscheidt de mens van het dier, dat in zijn ontwikkeling ook
al ver gevorderd is, maar tot de laatste belichaming als mens steeds een
wezen blijft dat onder de wet van "je moet" staat - en niet
vrij over zichzelf beslissen kan al mag het nog zo intelligent lijken.
Het heeft nog niet het ik-bewustzijn terug gekregen en is daarom nog niet
op de laatste trap van belichaming aangekomen. Toch zal ook het dier die
laatste fase bereiken, want al het geestelijke neemt eens de gang door
het aards bestaan op zich,waarin het zich als mens belichaamt en zich
ook van zijn "ik" bewust is.
Dat echter de mens een ik-bewust wezen is moest hem ook laten concluderen
dat zijn Schepper en Maker, zijn God van eeuwigheid geen irreële
geest kan zijn, maar dat Hij als het hoogst volmaakte Wezen eveneens kan
denken en een vrije wil heeft, daar er anders nooit zulke schepselen uit
Hem konden zijn voortgekomen die deze kenmerken van goddelijkheid vertonen.
Want uitgaande van de mens- het schepsel- kan ook de gevolgtrekking worden
gemaakt dat er een God, een Schepper is. Het hoogste Wezen moet Ik-bewust
zijn, net als de mens ik-bewust is, alleen in hoogste volmaaktheid, aangezien
de mens onweerlegbaar een nog onvolmaakt wezen is. Maar het ik-besef heeft
hij ondanks alle onvolmaaktheid. En dit maakt de mens tot een goddelijk
wezen dat aan Hem gelijk geschapen was en weer tot dezelfde volmaaktheid
moet komen, waarin het eens van God is uitgegaan.
Het "ik-bewustzijn" is het grootste wonder aan het scheppingswerk
"mens". De mensen moesten zich voorstellen welk een doods leven
zij zouden leiden als zij dit ik-bewustzijn niet bezaten, dat iedere mens
pas het persoonlijke stempel geeft:zichzelf te zien als een wezen dat
in staat is te denken en over zichzelf beslissen kan in vrije wil, omdat
het over zichzelf ook kan nadenken en zich kan voegen naar het kader van
de schepping in het besef van het ik, in het bewustzijn zelf te kunnen
beslissen wat zijn "ik" wil. Dat ik-bewustzijn is een duidelijk
teken van goddelijkheid, het is een teken van verbondenheid met een gelijksoortig
Wezen, Dat dit ik in 't leven riep. Ook al is het wezen als mens maar
een karikatuur van dat wat God eens schiep. Maar het heeft toch het ik-bewustzijn
behouden en kan zichzelf daarom ook weer vormen tot het oerwezen, dat
het van het begin der tijden af aan was. Het kan in het stadium als mens
- in het stadium van het ik-bewustzijn - alles doen wat het wil, zelfs
als hem soms de mogelijkheid dit te realiseren door de Wil van God wordt
besnoeid. Maar het is in staat te denken en plannen te maken, altijd van
zichzelf uitgaande, zich altijd in het middelpunt voelend van alles wat
gebeurt, omdat het weet dat het er is en dit bewustzijn ook niet meer
verliest. Daarom echter zal het ook eenmaal tot verantwoording geroepen
worden hoe zijn houding was in het aardse leven tegenover deze grote genade:
te weten dat het een ik-bewust wezen is dat door de Schepper zo gemaakt
werd, besef van zichzelf te hebben en vanuit zichzelf de ware houding
tot zijn Schepper tot stand te brengen.
Het denkvermogen behoort tot het ik-bewustzijn en kan pas dan ware vruchten
opleveren, maar altijd moet de vrije wil werkzaam zijn die evenzo bij
een goddelijk schepsel hoort. En deze vrije wil moet alle goddelijke gaven
juist gebruiken, dan zal het wezen ook tijdens het leven als mens de weg
nemen die onherroepelijk tot de verandering ten goede voert en het zal
in alle volmaaktheid terugkeren in het Vaderhuis - zoals het eens van
daar is uitgegaan.
Amen |