BD.7800
21 januari 1961
De weg van ontwikkeling op de aarde
Toen de aarde geschapen werd konden talloze geestelijke substanties
zich in haar scheppingswerken belichamen, en ze stegen in hun ontwikkeling
langzaam omhoog. Want de scheppingen beantwoordden aan de weerspannigheid
die in het geestelijke nog ongebroken - maar verschillend in sterkte was.
De scheppingswerken bestonden min of meer uit harde materie, want ook
de aarde ontwikkelde zich langzaam tot dat scheppingswerk dat eenmaal
mensen zou herbergen, namelijk het geestelijke dat de weg van ontwikkeling
reeds zo ver had afgelegd dat alle substanties van een eens gevallen oergeest
zich weer verzameld hadden, en weer het ik-bewustzijn en de vrije wil
terug ontvingen.
Maar voordat het geestelijke in dit stadium kon binnengaan vergingen eindeloze
tijden, want de aarde had deze tijden nodig om al die scheppingen voort
te brengen die het gevallen geestelijke nodig had voor een opwaartse ontwikkeling.
En daarom moet de mens weten dat hij al eindeloze tijden op deze aarde
vertoeft en dat het stadium als mens de beëindiging is van een
ontwikkelingsweg die zijn vrije wil nu kan afsluiten. En hij moet ook
weten dat hem eenmaal deze eindeloos lange weg terugblikkend getoond zal
worden, maar dat van hem als mens deze herinnering aan vroeger weggenomen
moest worden omdat het om zijn vrijwillige terugkeer tot God gaat, die
hij nu als mens voltooien moet. Beschouwt hij echter de talloze wonderen
van Gods schepping om zich heen, dan moet hij er ook over nadenken welk
doel deze te vervullen hebben. En het zal hem in zijn hart verduidelijkt
worden en hij zal iets vermoeden, wanneer hem de gehele kennis daarover
nog niet ontsloten is. Hij moet proberen het Wezen van de Schepper te
doorgronden, dat wil zeggen: over zijn verhouding tot Hem opheldering verlangen.
En deze opheldering zal hem ook gegeven worden omdat het in het aardse
leven daarom gaat, dat de mens de verbinding met God die hij eens vrijwillig
opgegeven heeft, weer tot stand brengt. Want dat was de "val"
van de geesten, dat zij zich opzettelijk van God los maakten. Daarom moeten
zij nu als mens, in het laatste stadium van hun weg terug tot God vrijwillig
weer de verbinding met Hem herstellen en het doel van hun aards bestaan
is vervuld.
Dat de schepping voor het grootste deel er toe bijgedragen heeft het gevallen
wezen weer terug te brengen, zult u mensen pas begrijpen kunnen, wanneer
deze terugkeer volbracht hebt. Want nooit zou het u mogelijk zijn weer
hogerop te komen, wanneer de goddelijke Schepper u niet aan de macht van
Zijn tegenstander, die uw val naar de diepte toe veroorzaakt heeft, ontwrongen
had. Wanneer Hij u niet aan zijn invloed onttrokken had gedurende de eindeloos
lange tijd, waarin u als kleinste zieledeeltjes ingelijfd werd in de scheppingswerken.
Gedurende deze tijd had Zijn tegenstander geen invloed op u, maar toch
behoorde u nog tot hem omdat u hem eens vrijwillig gevolgd was naar de
diepte. Maar omdat u als gevolg van uw afval van God geheel zonder licht
en kracht was, zou voor u de weg terug tot God onmogelijk zijn geweest.-
Daarom heeft God Zelf deze weg terug door al Zijn scheppingswerken voor
u geschapen die in onovertrefbare Wijsheid en eindeloze Liefde zo gevormd
waren, dat ze het geestelijke de mogelijkheid gaven op de een of andere
wijze te dienen. En door te dienen kon het zich tot een steeds hogere
geestelijke rijpheid ontwikkelen. De geestelijke deeltjes die een gevallen
oergeest toebehoorden verzamelden zich weer en traden nu, in een zekere
rijpheid, hun laatste vorm binnen. En ze mogen nu, als mens, een korte
tijd over de aarde gaan en moeten in vrije wil en uit liefde weer dienen.
Want dit is het aardse levensdoel van iedere ziel die in de mens belichaamd
is, dat zij zich door een dienen in liefde van elke vorm kan verlossen.
Dat zij dus als de vrije geest die zij in het begin was weer ingaat in
het geestelijke rijk, wanneer haar leven op aarde ten einde is.
Maar zij bewerkstelligt deze vergeestelijking niet door eigen kracht,
want de oerzonde van eens belast haar en drukt haar steeds weer neer,
dat wil zeggen: Gods tegenstander heeft tijdens het aardse leven weer het recht
zijn invloed uit te oefenen, omdat het geestelijke hem eertijds vrijwillig
volgde. En de gevallen oergeest, de mens, zou ook weer onder zijn invloed
bezwijken wanneer hem niet een betrouwbare hulp aangeboden was, namelijk de
verlossing door Jezus Christus; in Wie God Zelf Zich belichaamd heeft
om voor al de gevallenen de zondenschuld te delgen door Zijn offerdood
aan het kruis. De volledige verlossing en vergeving van zijn schuld door
deze hulp van Jezus Christus is voor hem zeker, maar alleen als hijzelf
dat wil en als hij Jezus Christus en Zijn werk van verlossing accepteert
en Jezus als God Zelf erkent, Hem, aan Wie de oergeest eertijds zijn erkenning
geweigerd heeft.
Daarmee is u, mensen een korte verklaring gegeven over de oorzaak en betekenis
van het verlossingswerk dat u weten moet om het doel van uw aardse leven
te vervullen, om het goddelijke heilsplan te leren begrijpen dat altijd
en alleen het terugvoeren van het geestelijke ten doel heeft. En dat doel
wordt ook in Liefde en Wijsheid verwezenlijkt, omdat Hem alle macht ter
beschikking staat het doel te bereiken dat Hij Zich bij de schepping van
de geestelijke wezens heeft gesteld.
Amen |