BD.8243
17 augustus 1962
De ziel neemt kennis van het aardse leven
Zodra u een vraag tot Mij richt, zal Ik u antwoorden en u
onderrichten, zodat u ook juist begrijpt en elke onduidelijkheid is opgeheven.
De gang over de aarde als mens voor de in hem belichaamde ziel, voor de
eens gevallen oergeest, is een zware beproeving van zijn wil, die vrij
is, zoals het was toen de oergeest van Mij is uitgegaan. Want er wordt
om hem gestreden van twee kanten en hij alleen beslist de afloop van deze
strijd. Er staan hem steeds geestelijke begeleiders ter zijde, die echter
zijn wil niet mogen aantasten. En evenzo doen talloze vijandige krachten
moeite om de mens opnieuw ten val te brengen. Maar de mogelijkheid bestaat
dat hij die laatsten de baas wordt, dat hij vastberaden zijn wil op Mij
richt en dan ook voortdurend kracht ontvangt om weerstand te bieden en
dat hij zijn wilsproef doorstaat.
Daar echter de oergeest bij het begin van zijn belichaming als mens nog
geheel onwetend is, omdat hij zelf zich door zijn afval, door het afwijzen
van het Licht van Mijn Liefde, van zijn licht, van zijn weten, van zijn
inzicht beroofde, moet hij worden onderricht en dit gebeurt zowel van
buitenaf als van binnenuit door Mijn Geestvonk, Die hem is toegevoegd,
Die hem onophoudelijk van binnen zal aansporen het goede te doen en Die
nu ook een innerlijk licht aan de mens overbrengt. Bovendien zal Ik steeds
de levensomstandigheden van een mens zo richten dat hij daaruit kan leren,
omdat steeds weer van de kant van de geestelijke begeleiders op zijn denken
wordt ingewerkt dat het de juiste richting neemt, dat het de wil ertoe
brengt zich naar Mij te keren en Ik Zelf dan ook buitengewoon in hem werkzaam
kan zijn. Ik zorg dus op elke manier dat de oergeest gedurende zijn leven
op aarde als mens, zijn doel kan bereiken, zodra hij eenmaal zijn wil
te kennen heeft gegeven deze laatste wilsproef als mens af te leggen.
Maar nooit wordt een ziel, een oergeest die in de staat van "je
moet" door de scheppingen is gegaan, tot deze laatste belichaming
gedwongen. De staat van "je moet" houdt op op het moment waarin
zich alle partikeltjes van een oergeest weer hebben samengevoegd en van
dit moment af is de oergeest weer vrij, hij is aan geen dwang onderhevig,
noch van Mijn kant, noch van die van Mijn tegenstander. Hij kan over zichzelf
beslissen, Zijn weerstand tegen Mij is tijdens de tijd van zijn positieve
ontwikkeling vanuit de diepte zover afgezwakt dat hij nu rijp is geworden
om de gang als mens over de aarde te kunnen gaan, maar dit genadegeschenk
moet hij vrijwillig aannemen. En daarom wordt hem ook het aardse lot bekend
gemaakt. De oergeest beseft, door Mijn toelating, dat hij nog niet in
zijn vaderland is waarin hem heerlijkheden wachten en hij verlangt daarnaar.
Maar hij ziet ook in dat alleen de gang als mens hem in zijn verloren
vaderland terugvoert. Hij weet ook dat hij nu weer een vorm moet betrekken
en dit weten kan hem ook nog zijn gang als mens doen uitstellen. Maar
meestal neemt hij bereidwillig de belichaming als mens op zich en hij
voelt zich ook sterk genoeg de laatste wilsproef te doorstaan.
Maar hij moet zelf vrij beslissen en daarom wordt hem zijn weg over de
aarde getoond, terwijl hij zich zelf ziet in de verschillende levenssituaties
die hij meent makkelijk de baas te kunnen en daarom ook gewillig is de
laatste weg in de vorm te gaan. Maar Ik ken de graad van rijpheid van
elke afzonderlijke oergeest en Ik kan de weg over de aarde als een schaduwbeeld
aan hem laten voorbijtrekken, Ik weet ook hoe dit gebeuren als in een
droom de enkele ziel aangrijpt en kan daaraan beantwoordend nu haar verwekking
in de menselijke vorm teweeg brengen, die nu pas een levend wezen wordt
wanneer de oergeest bezit heeft genomen van de vorm.
U mensen zult het kunnen geloven dat Ik alles kan, dat Ik ook naar een
geheel blinde geest een lichtvonkje kan toestralen dat hem voor enige
momenten ziende maakt en dat deze momenten voldoende zijn om zijn wil
actief te laten worden, die de oergeest weer kan gebruiken wanneer al
zijn substanties zich weer hebben verenigd. U zult ook moeten weten en
geloven dat er voor Mij geen tijdsduur nodig is en dat toch Mijn Wil tot
stand brengt wat Ik voor nodig houd. En dit laten blijken van de wil van
een oergeest de vorm van een mens aan te nemen is noodzakelijk, want hij
is uit zijn gekluisterde staat naar buiten getreden en hij moet nu ook
vrij kunnen kiezen voor zijn gang over de aarde als mens. Het stoffelijke
lichaam van de mens wordt echter pas in staat te leven, wanneer de oergeest
als "ziel" dit heeft betrokken. Maar ook nu wordt de mens
eerst geleid door zijn beschermende geesten, langzaam wordt hij binnengeleid
in een zeker weten, hij moet zich nu ook als mens eerst ontwikkelen voordat
zijn vrije wil en zijn verstand zich redelijk kan uiten. Het is de laatste
ontwikkelingsgang op deze aarde, die de oergeest totale bevrijding kan
opleveren, wanneer hij daar zelf naar streeft, wanneer hij goed let op
de zachte stem in hem, op de innerlijke aandrang, die een uiting is van
Mijn in de mens gelegde goddelijke Geestvonk.
Maar Mijn tegenstander heeft gedurende het leven op aarde hetzelfde recht
op hem en hij tracht het ook te doen gelden. De mens is altijd blootgesteld
aan de beïnvloeding van boven en van beneden, maar hij zelf moet
kiezen wie de macht over hem verkrijgt. En dat is zijn laatste wilsproef,
dat hij bewust op Mij als Zijn God en Vader aanstuurt, en deze vrije beslissing
kan niemand hem afnemen, doch hem wordt op elke manier bijstand verleend,
omdat ook Ik vurig verlang naar zijn terugkeer en waarlijk als een goede
Vader Mijn kind aan de Hand leid wanneer het deze maar zelf vastpakt en
zich door Mij laat leiden. Want Ik wil dat al Mijn schepselen gelukzalig
worden en Ik heb waarlijk alle mogelijkheden overwogen om dit doel van
Mij te bereiken.
Amen |