BD.8672
13 november 1963
De reden van de afval van Lucifer van God
Toen ik de miniaturen van Mij Zelf in het leven riep, werd
Ik daartoe bewogen door Mijn Liefde zonder einde, Die Zich wilde weggeven,
Die Zich vaten wilde scheppen om hierin Zich uit te storten. Mijn Liefde
werkt Zich uit als Kracht en deze Kracht wilde scheppend werkzaam zijn
en zo moest ook het door Mij geschapene, omdat Mijn Kracht Zich uitstortte
in de vaten, zich weer op dezelfde manier scheppend bezig houden, want
het waren wezens die als Mijn evenbeelden ook dezelfde drang om te scheppen
in zich droegen, die de hun voortdurend toestromende Kracht weer tot werken
aanzette omdat de Kracht Die uit Mij als de Oerbron van Kracht stroomde,
voortdurend leven voortbracht. En zo zal het u begrijpelijk zijn dat dus
alle wezens die uit Mij voortkwamen, zich in een staat bevonden waarin
zij ook geen beperking kenden in het scheppen van werken van allerlei
aard, waarin ze hun gelukzaligheid vonden; dat ze echter net als Ik aan
geen beperking waren onderworpen, want Mijn Liefde was eindeloos, en zo
ook stroomde de Kracht van Mijn Liefde in alle wezens om hen gelukkig
te maken.
Er trad ook geen stilstand op in het scheppend bezig zijn van die wezens,
omdat er ook geen beperking van Mijn Kracht was, Die nooit wordt opgebruikt,
Die altijd en eeuwig zal blijven stromen en er daarom altijd en eeuwig
scheppingen zullen ontstaan, evenals ook alle door Mij eens uitgestraalde
wezens zo lang onbeperkt de Kracht uit Mij betrekken om te scheppen en
te vormen als ze zich zelf voor Mij openen, dat wil zeggen de aanstraling
van Mijn Liefde geen tegenstand bieden. En deze gelukzalige staat had
waarlijk geen einde hoeven te nemen, omdat van Mijn kant uit de wezens
nooit een beperking zou zijn opgelegd en zij daarom ook geen vermindering
van de Kracht hoefden te vrezen. En toch trad er een verandering op in
deze overgelukkige staat van de wezens, teweeggebracht door een omstandigheid
die de wezens als gebrekkig beschouwden: dat Ik Zelf, hun God en Schepper,
voor hen niet zichtbaar was als eenzelfde wezen, dat ze wel op de hoogte
waren van Mij als hun Vader, uit Wie ze waren voortgekomen, maar omdat
Ik Me hun niet zichtbaar bekendmaakte, zagen ze dit als een begrenzing
van Mijn Volmaaktheid. Ze begonnen verkeerde gedachten in zich te overwegen
omdat ze deze vraag niet openlijk aan Mij voorlegden, die Ik hun ook zou
hebben beantwoord, zodat ze dus hun verkeerde denken zouden hebben ingezien
en rechtgezet.
Maar deze innerlijke twijfel aan Mijn Volmaaktheid meenden ze voor Mij
te kunnen verbergen en toch was Ik ervan op de hoogte. Maar Ik gebruikte
geen dwang, veeleer liet hun de volste vrijheid in hun denken, die ze
echter misbruikten. Want ze herkenden dezelfde twijfel aan Mijn Volmaaktheid
ook in dàt wezen dat als eerste buiten Mij werd geplaatst en dat
in alle schoonheid straalde in het volste licht. Dat wezen schonk Mij
wel zijn hele liefde gedurende eeuwigheden en het was in deze liefde bovenmate
gelukkig en een met Mijn Wil, hoewel ook zijn wil vrij was.
Maar zo nu en dan kwamen ook in dit van licht stralende wezen twijfels
boven, omdat Ik ook voor hem niet zichtbaar was. Maar zijn grote liefde
voor Mij onderdrukte steeds weer de opkomende twijfel en het gaf zich
aan Mij over en vond zijn gelukzaligheid in het voortdurend scheppen van
gelijksoortige wezens door zijn wil met gebruikmaking van Mijn Kracht.
Doch steeds weer kwam deze twijfel aan Mij boven en ook hij legde deze
niet aan Mij voor, wat voor hem mogelijk was. Hij voedde de twijfel zodat
deze voortdurend sterker werd en zijn liefde voor Mij minder werd. Daardoor
verzwakte hij echter ook zichzelf, omdat zijn verminderde liefde voor
Mij ook de stroom van Mijn Liefde minder deed worden en ook zijn scheppend
werkzaamzijn beperkte.
Zou Ik Me hebben kunnen laten zien, dan zou het hem niet mogelijk zijn
geweest zich van Mij af te keren, maar het Vuur van Mijn Liefde zou hem
hebben verteerd, want geen enkel geschapen wezen is in staat in het Oervuur
van Mijn Liefde te kijken zonder te vergaan. Ook hij wist dat, omdat hij
in het inzicht van het volste licht stond, maar hij speelde met de gedachte
meer te zijn dan Ik, omdat hij straalde in het helderste licht en in volmaakte
schoonheid. Hij kon zich geen wezen voorstellen dat hem nog aan licht
en schoonheid overtrof en daardoor maakte hij aanspraak op het recht te
heersen over alle geschapen wezens wier verwekker hij wel was door zijn
wil, maar de Kracht om te scheppen van Mij had betrokken. Hij zag nu in
die menigte geestelijke wezens zijn macht en daarom dacht hij de Kracht
uit Mij te kunnen ontberen, hij geloofde haar aan Mij te hebben onttrokken
door het scheppen van ontelbare wezens en hij zag het als een bewijs van
Mijn machteloosheid dat Ik Me niet zichtbaar aan hem bekendmaakte.
En Ik liet hem in dit geloof, omdat Ik hem als geheel vrij wezen buiten
Me had geplaatst, dat Ik nooit ofte nimmer zal dwingen zijn wil en zijn
denken te veranderen, ook al houdt hij zich eeuwigheden van Mij verwijderd.
Mijn Kracht stuitte op weerstand en afweer en bijgevolg bleef Ze geheel
werkeloos. En het is nu Mijn eerstgeschapen wezen niet meer mogelijk nog
welk scheppingswerk dan ook te doen ontstaan, maar het meent groot en
machtig te zijn omdat het die ontzettend grote menigte geestelijke wezens
ziet als zijn eigendom, die net als hij tegen Mij in opstand kwamen en
de aanstraling van Mijn Liefde afwezen. Ook zij zijn niet in staat tot
welke bezigheid dan ook, omdat ook zij zich eindeloos ver van Mij verwijderden.
Maar het was hun vrije wil die Ik eerbiedig en zij daarom zolang van Mij
verwijderd blijven tot ze weer uit vrije wil contact zoeken met Mij en
de aanstraling van Mijn Liefde afsmeken. Ook het eerstgeschapen wezen,
Mijn huidige tegenstander, zal eenmaal de weg die naar Mij terugkeert
betreden, ook hij zal eens vurig verlangen naar de aanstraling van Mijn
Liefde en deze weer vrijwillig van Mij in ontvangst nemen, omdat hij eens
zijn weerstand zal opgeven, al zullen er nog eeuwigheden vergaan. Doch
alles wat als Kracht eens door Mij werd uitgestraald, keert onherroepelijk
weer terug naar de Bron van Kracht van eeuwigheid.
Amen |