BD.8712
31 december 1963
Geestelijk dieptepunt - Liefdeloosheid - Eigenliefde
Het grootste bewijs van het geestelijk dieptepunt van de
mensen is de liefdeloosheid, die overal onder de mensen te zien is. De
eigenliefde is steeds sterker geworden en de onbaatzuchtige naastenliefde
wordt door bijna niemand meer beoefend en daarom moet het op aarde ook
een gematerialiseerde (ontgeestelijkte) staat zijn, een staat van het
werkzaam zijn van slechte krachten waarin steeds de tegenstander van God
de opperheerschappij heeft en de mensen hem ter wille zijn. De geestelijke
duisternis wordt steeds dieper, lichtstralen zijn maar zelden te zien
en vaak worden ze zelfs voorgespiegeld als schijnlichten die geen uitstraling
hebben. De tijd van het einde is kennelijk gekomen wanneer de graad van
liefde van de mensen als criterium wordt genomen.
Er is een duidelijke teruggang te melden, de mensen zijn hecht met de
materie verbonden; voor hen gelden slechts het lichaam en zijn welbevinden,
aardse successen en vermeerdering van aardse goederen. Dat hun zielen
in aardse nood zijn geloven ze niet, omdat ze niet aan een voortleven
van de ziel geloven, vaak zelfs een ziel in zichzelf loochenen. En ze
kunnen niet gedwongen worden anders te denken, hun vrije wil moet geëerbiedigd
worden, maar daaraan beantwoordend scheppen ze zich ook zelf hun lot na
hun dood.
En wie de gebeurtenissen in de wereld, in zijn naaste omgeving beziet,
weet ook dat deze toestand niet eeuwig duren kan, omdat hij van dag tot
dag verslechtert, omdat de hang naar de materie steeds groter wordt, omdat
geen enkel geestelijk streven kan worden geconstateerd en omdat elke toestand
eens is afgelopen wanneer hij niet overeenstemt met de goddelijke ordening.
De mensen dienen elkaar niet meer, veeleer wil ieder heersen en slechts
bediend worden, ieder eist van de ander wat hem genoegen verschaft maar
niemand is bereid ook voor de ander hetzelfde te doen. De liefde ontbreekt,
de harten van de mensen zijn verhard en steeds zijn het er maar weinige
die in geval van nood bereid zijn te helpen. En dit is de kleine kudde,
want waar eenmaal de wil tot liefde werkzaam is, wordt ook de verbinding
tot stand gebracht met de Eeuwige Liefde. En Deze laat nu de mens niet
meer los die vrijwillig werken van liefde verricht.
U mensen bent niet op de hoogte van de zegen van een werkzaam zijn in
liefde, u weet niet hoeveel makkelijker u door het aardse leven zou kunnen
gaan, wanneer u maar de liefde wilde beoefenen en daardoor steeds meer
ontvangt voor uw ziel, maar ook aards zult ontvangen wat u nodig hebt.
Maar de liefdeloze mensheid mist dit weten, ieder denkt alleen maar aan
zichzelf en ieder haalt uit het leven wat hij maar kan en denkt er niet
aan dat hij niet op de hoogte is van het uur van zijn dood, dat hij elk
moment kan sterven en niets meeneemt in het rijk hierna van wat hij op
aarde bezit, maar dat hij naakt en ellendig daarginds aankomt omdat hij
voor zijn ziel niets bezit, die hij op aarde gebrek liet lijden en dat
zij nu echter het enige is wat is overgebleven en nu in bitterste armoede
het geestelijke rijk binnengaat. En deze liefdeloze toestand kan de mensen
niet het geringste geestelijke resultaat opleveren. Daar echter alleen
met het doel het geestelijk geheel rijp worden van de ziel, deze als mens
over de aarde gaat, maar het doel niet wordt nagekomen, moet er een ingrijpen
met geweld van de kant van God volgen, een scherpe terechtwijzing en aanmaning,
opdat nog enkele weinigen zich bezinnen op het doel van hun aardse leven
en veranderen voor de laatste fase op deze aarde begint, die niet lang
duren zal tot het einde.
Op het zachte toespreken van God door slagen van het noodlot, catastrofen
en ongelukken van allerlei aard, op het Woord Gods dat van boven
weerklinkt, slaan de mensen geen acht en daarom moeten ze luider worden
aangesproken, en zalig hij die dit toespreken van God horen wil en het
ter harte neemt, want ook dan zullen er nog veel mensen zijn die Hem niet
willen herkennen wanneer Hij door de elementen van de natuur tot hen spreken
zal in enorme kracht. Ook zij worden niet gedwongen maar kunnen in vrije
wil kiezen. Maar ze zullen behoed zijn voor het ergste, voor de hernieuwde
kluistering in de vaste materie als ze nog maar de weg naar God vinden
en begaan, wanneer ze Hem nog erkennen en tot hem roepen om erbarmen.
Maar dan is ook het einde gekomen, want de aarde vervult niet meer haar
doel, ze wordt niet meer als plaats van rijpwording door het geestelijke
gebruikt, ze wordt alleen nog gebruikt voor het lichaam en ieder werpt
zich op als heerser van de aardbol en richt zelf de grootste verwoestingen
aan in het geloof alle wetten van de natuur te beheersen en dus ook ongestraft
te kunnen experimenteren wat dan ook tot de laatste vernietiging van de
aarde zal leiden.
Maar de mensen zelf willen het zo en zo zal het ook gebeuren, zoals het
verkondigd is in woord en geschrift: Er zal een nieuwe hemel en een nieuwe
aarde ontstaan en de goddelijke ordening zal worden hersteld, opdat het
terugvoeren van het geestelijke naar God kan worden voortgezet zoals het
in Zijn heilsplan is voorzien van eeuwigheid.
Amen
|