BD.8715
4 januari 1964
Veel voorkomende vraag: Waarom liet de God van Liefde een
mens zo lijden?
U, mensen, zult u niet de uitwerking van uw oerzonde kunnen
voorstellen, wanneer ze niet zou hebben kunnen worden uitgewist. Steeds
weer zeg Ik het ook, dat u slechts iets wat beperkt is zult kunnen begrijpen,
maar dat zo'n uitwerking van de oerzonde zonder beperking zou zijn,
omdat Mijn wetten eeuwig niet omver kunnen worden gegooid. En een zonde,
die tegen Mij werd begaan, die zo groot en zwaar was als de afval van
Mij tegen beter weten in, moest volgens goddelijke Gerechtigheid een net
zo ontzettend gevolg hebben, die voor de wezens bestond uit een eeuwig
onheil, uit een staat van eeuwige kwellingen en duisternis.
Dus ontelbare wezens zou deze toestand te wachten staan, omdat Mijn Gerechtigheid
niet eenvoudigweg een schuld kon schrappen, die niet verzoend was. Maar
deze wezens waren zelf niet in staat hiervoor boete te doen, de schuld
goed te maken, want het ging er niet alleen om, dat die wezens een mate
van straf ondergingen en daarmee de zondenschuld zou zijn uitgewist geweest,
het ging er veeleer om, dat deze wezens gezondigd hadden tegen de Liefde
Zelf en dat een zich reinigen van de schuld daarom weer alleen uit een
werk van liefde kon bestaan.
Het ging erom, dat die wezens de liefde in zich moesten laten ontbranden,
ze dan de grootte van hun schuld moesten inzien en in innige liefde Mij
moesten aanroepen om vergeving. Maar daartoe waren de gevallen wezens
niet meer in staat, want ze waren geheel zonder enige liefde. En deze
onmetelijke schuld aflossen konden ze evenmin, omdat ze, als volledig
verhard, hun ik-bewustzijn hadden verloren en er dus geen bewuste verbinding
meer met Mij bestond. Iets wat geschapen was om te leven, had de dood
gezocht en was niet in staat uit eigen kracht naar Mij terug te keren.
Nu kon Ik dit dode vanuit Mijn Liefde, Wijsheid en Kracht wel weer opwekken
tot een geringe mate van leven, maar de oerzonde bleef bestaan, die het
wezen eindeloos ver van Mij hield verwijderd en voordat deze schuld teniet
was gedaan, bestond er geen totale terugkeer naar Mij. En wederom was
geen der gevallen wezens daartoe in staat, omdat ze geheel zonder liefde
waren. Dit alles voorzag Ik van eeuwigheid en Ik zou toch niet de afval
van de wezens van Mij hebben kunnen verhinderen, wilde Ik hen de vrijheid
van wil niet afnemen. Maar Ik voorzag ook van eeuwigheid een weg, waarover
deze gevallen wezens naar Mij konden terugkeren en Ik ontwierp een plan
om ze terug te voeren en realiseerde dit ook.
En aan de uitvoering van het heilsplan van eeuwigheid nemen alle bij Mij
gebleven wezens deel, die daarin hun gelukzaligheid vinden. Dezen zijn
voortdurend door Mijn Liefde doorstraald en in het volledige bezit van
licht en kracht. En hun liefde drijft hen onophoudelijk om hulp te verlenen
aan het gevallen geestelijke, dat door de met het doel van de terugvoering
ontstane scheppingswerken heen gaat. Hun liefde spoort hen zelfs aan scheppend
en vormend bezig te zijn, om vormen te creëren voor het gevallen
geestelijke, dat de weg door de schepping gaat. En zo bereikt dit ook
de graad van rijpheid, waarin het opnieuw vrij kan beslissen. En toch
is de grote oerschuld van hen niet goed gemaakt en kan ook eeuwig niet
worden goedgemaakt, omdat die wezens zonder liefde zijn, die ze eens vrijwillig
weggaven. En daarom bood Zich een Lichtwezen aan om deze schuld vrijwillig
te delgen, omdat Het vol van Liefde was en de Liefde alles op zich neemt
om gelukkig te maken en te helpen, waar ze ellende en leed ziet.
Zou u, mensen, nu de grootte van de oerschuld kunnen overzien, dan zou
u ook kunnen begrijpen, waarom voor het teniet doen van die schuld een
mate van lijden moest worden gedragen, die ver boven de menselijke kracht
uitging, die ook nooit een mens zou hebben kunnen verdragen, wanneer de
Liefde hem niet de kracht zou hebben geschonken, want de Liefde is kracht
en alleen de Liefde verdroeg deze pijnen en smarten, dit lijden, dat de
Mens Jezus vrijwillig op Zich had genomen.
Hij was van alles op de hoogte en dus ook van de hopeloosheid en wanhoop
van het gevallene om ooit tot God en de gelukzaligheid terug te kunnen
keren, wanneer de schuld niet werd goedgemaakt. Hij bood Zich als Lichtgeest
aan, om het verlossingswerk te volbrengen, want als Lichtwezen kon Hij
in Zijn volle omvang beseffen, wat Hem te wachten stond, maar de Liefde
was groter dan het lot, dat Hij als mens tegemoet ging. Want het Lichtwezen
wist Zich voortdurend verbonden met Mij en Het wist ook, dat Het door
Mij voortdurend van kracht zou worden voorzien, omdat Liefde Mijn Oerwezen
is en Ik dus met Mijn Oerwezen in de Mens Jezus ben geweest. Wel droeg
de "Mens" Jezus een niet voor te stellen mate van lijden en
smarten, maar tegenover de grootte van de oerschuld van de ontelbare wezens,
was zo'n overmaat van lijden nodig, om voor Mijn Gerechtigheid genoegdoening
te bieden, waar niet omheen kon worden gegaan, daar Ik anders uit erbarmen
de schuld zou hebben doorgestreept uit overgrote Liefde.
De ongelukkige staat van de gevallen wezens was een eeuwigdurende toestand
zonder de daad van het verzoeningsoffer. Maar al het lijden van Jezus
was van tijdelijke aard en Jezus bood Mij dit offer gaarne aan, omdat
Hij daarmee de hele wereld verloste van de oerschuld, ofschoon het tijdstip
van zijn verlossing ieder wezen zelf bepaalt door zijn wil. Jezus is de
dood aan het kruis gestorven voor alle mensen uit het verleden, de tegenwoordige
tijd en de toekomst en Zijn onmetelijk lijden heeft alle gevallen wezens
de vergeving van hun oerschuld opgeleverd. Ieder wezen kan nu de weg die
terugvoert naar Mij begaan, door Zijn overgrote Liefde is ook weer de
mogelijkheid gegeven, dat de mensen zelf de liefde in zich ontsteken,
dat ze hun wezen veranderen en de vereniging met Mij kan plaatsvinden,
die zonder de delging van de oerschuld onmogelijk was.
Amen |