BD.9015
14 en 15 juli 1965
Pre-adamieten
Lang voordat de eerste mensen op aarde leefden, die van God
uit met vrije wil en verstand waren uitgerust, bestonden er al schepselen
die op mensen leken en waarvan de taak daarin bestond de aarde geschikt
te maken voor de mensheid die nà hen kwam. Ze verrichtten uit instinct,
dat wil zeggen: door de natuurwet gedreven - werkzaamheden doordat ze actief waren
om zich in stand te houden. Ze verzamelden vruchten, oogstten voortbrengselen
van het land en bouwden woningen voor zichzelf. Ze deden alles wat hun
instinctmatig voordeel opleverde.
Maar ze konden voor hun doen en laten niet ter verantwoording worden geroepen,
omdat in hen nog niet een wezen belichaamd was dat alle partikeltjes van
een gevallen oergeest bevatte. Deze wezens hadden al een heel grote overeen
komst met de mens, lichamelijk waren ze van gelijke gestalte, maar ze
waren noch ik-bewust, noch konden ze zich aan elkaar verstaanbaar maken.
Alleen het verlangen in hen zich in stand te houden was sterk en ze bereikten
vaak een hoge leeftijd. Ze waren bij wijze van spreken in dienst van de
schepping, doordat ze ertoe bijdroegen het aardoppervlak een andere vorm
te geven, dat steeds meer werd klaargemaakt om nu de mensen een woonplaats
te bieden die aan hun behoeften beantwoordde. Maar er was die wezens nog
geen taak gegeven. Ze dienden alleen de nog niet helemaal voltooide oergeesten
als laatste mogelijkheid om te rijpen, waar ze dan als mens met vrije
wil en verstand mee door moesten gaan.
Deze voormensen, de pre-adamieten, konden dus niet als echte mensen worden
beschouwd, want hun aard, hun voorkomen en al hun doen en laten beantwoordde
meer aan een dier dat nog ver in zijn ontwikkeling achter is. Alleen de
vorm leek op die van een mens en zo kwam het dat men later deze schepselen
voormensen noemde, die echter helemaal niet de vergelijking met de echte
mens konden doorstaan, die in het bezit van 'n vrije wil en inzicht was,
die hij nu verstandelijk ook juist moest gebruiken.
Het kan nu niet gezegd worden dat de mens zich tenslotte uit deze pre-adamieten
ontwikkeld heeft, omdat er een nieuwe schepping geweest is die God pas
toen realiseerde, toen veel van de eerste oergeesten vurig naar hun belichaming
verlangden. De voormens is een van de vele scheppingen geweest die alle
hun doel moesten vervullen om de later erna komende mensen een onderkomen
te bereiden, dat hun een zorgeloos leven op aarde waarborgde. De pre-adamieten
waren die wezens die op mensen leken, die daarom niet ter verantwoording
geroepen konden worden, omdat ze leefden als dieren waarbij alle instincten
naar buiten kwamen; die lang voor de mens op aarde leefden, die geen ik-bewustzijn
hadden en alleen in groepsverband konden leven. Die zodoende alleen daar
waren te vinden, waar zich later eens mensen ophielden voor wie ze het
oorspronkelijke gebied voorbereidden door een geregelde werkzaamheid die
hun wezen was aangeboren en die zich dus uitte in de ontginning van uitgestrekte
velden - in het systematisch verspreiden van voor het leven noodzakelijke
substanties en het weer opnieuw oogsten op zulke stukken land. Ze deden
dit alles onbewust vanuit een natuurlijke aandrift om zichzelf in stand
te houden. Ze bestreden elkaar en de sterkste zegevierde. En zo droegen
ze er ook toe bij dat zich steeds weer nieuwe geestelijke wezens incarneerden,
al was het maar voor korte tijd waarin ze hun kracht bewezen, waarin meer
of minder sterke driften zich deden gelden, die steeds zwakker werden
hoe langer ze leefden en ze dan ook die rijpheid bereikten om nu de laatste
belichaming als mens te kunnen ingaan.
Er bestonden dus al lang vóór de eerste mensen wezens die
op mensen leken, die echter niet in verband gebracht kunnen worden met
de echte mensen. In hun uiterlijke vorm waren ze wel met hen vergelijkbaar,
maar ze gingen wel tekeer als dieren, zowel in hun driften als ook in
hun manier van voortplanten. Ze ontwikkelden zich steeds verder al naar
gelang de substantie van hun ziel - en behoorden ook tot de vele scheppingswerken
die weer verdwenen toen ze hun taak op aarde vervuld hadden, dus de (geestelijke)
wezens zulke scheppingen niet meer nodig hadden en deze nu totaal uitstierven,
zoals vele scheppingen die door de aarde een tijdlang werden gedragen
om dan weer voor nieuwe scheppingen plaats te maken.
Er kan dus niet gezegd worden dat de mens in zijn huidige vorm, zich uit
deze voormenselijke scheppingen ontwikkeld heeft, integendeel, hij is
en was een nieuwe schepping die zich nu, met vrije wil en verstand begaafd,
moest waar maken, dus ook het ik-bewustzijn in toom hield. Tot op welke
hoogte die pre-adamieten ook over een zekere intelligentie konden beschikken
was uitsluitend afhankelijk van de graad van rijpheid van de zielepartikeltjes
die ze in zich hadden. Deze pre-adamieten waren echter niet in staat te
denken en hun intelligentie kwam alleen in de werkzame activiteit tot
uitdrukking, die dus onbewust verricht werd. Deze activiteit heeft echter
ook de grootste wonderwerken voortgebracht, zoals deze vaak in de natuur
te zien zijn, dat ze wegen bouwden waarover deze wezens elkaar konden
bereiken, dat ze kloven en onderaardse gangen groeven en zo dus voor de
mensen de voorwaarden schiepen dat dezen dan het ware leven konden leiden,
toen de tijd gekomen was, waarin de eerste oergeesten zich als mens konden
belichamen. Hoe meer oergeesten nu verlangend uitzagen naar de belichaming,
des te meer gingen ook de voormensen achteruit, wat zich weliswaar steeds
alleen trapsgewijs voltrok, tot dan het menselijk geslacht de aarde bevolkte
en voor dezen de proeftijd begon waarin nu iedere eens gevallen oergeest
zich moest waarmaken, waarom echter de mens ook met ik-bewustzijn - verstand
en vrije wil moest zijn uitgerust, om de weg over deze aarde te gaan die
hem weer terugvoert naar de Vader, van Wie hij eens is uitgegaan.
Amen |