BD.3969
6 februari 1947
Het lot in de eeuwigheid in overeenstemming met de wil -
Materie is verkeerde liefde
Waar de mens naar streeft, dat zal hem ten deel vallen, want
alleen zijn wil bepaalt zijn lot in de eeuwigheid. Is uw streven gericht
op het rijk Gods, dan zult u het ook in bezit nemen en medeheerser
van alle werelden zijn. Maar stuurt u aan op de wereld, op vervulling
van aardse wensen en begeerten, dan zal ook de wereld, dat wil zeggen
het aardse bezit, u niet verlaten, ongeacht of u het hiernamaals bent
binnengegaan, want uw wensen scheppen u ook de omgeving waarin uw ziel
verblijft. Alleen zult u niet gelukkig zijn in het bezit van zulke goederen,
want u zult de onwerkelijkheid ervan zeer spoedig inzien, dus geen vervulling
van uw begeerten meer vinden, echter voortdurend verlangen en dit verlangen
zal u kwellen en daarom zult u er naar moeten streven, al op aarde vrij
van zulke begeerten te worden. U zult geestelijk goed moeten begeren,
als u eens zalig zult willen zijn.
Waar u naar streeft zal uw deel zijn. En dus schept ieder mens zichzelf
zijn lot en hij moet zich daarom van de grote verantwoordelijkheid bewust
zijn, want het zijn eeuwigheden, die voor hem liggen, eeuwigheden, die
hij in gelukzaligheid door kan brengen of in armzaligheid moet doormaken.
Want er kunnen eeuwigheden voorbij gaan tot hij de aardse materie heeft
overwonnen, terwijl in het geestelijke rijk de verzoekingen nog heel wat
erger zijn, daar hij er weinig weerstand tegenover stelt, terwijl hij
er op aarde heel makkelijk van los kan komen, als hij maar ernstig wil.
Een ziel, die heeft overwonnen en vrij het rijk hierna binnengaat, is
onuitsprekelijk gelukkig, want er wachten haar veel heerlijke genietingen,
waarvan u, mensen op aarde, u geen voorstelling kunt maken. Ook zij zal
begeren, maar voortdurend vervulling vinden, want wat zij begeert is geestelijk
goed, het is de uitstraling van de Liefde van God, Die haar oneindig gelukkig
maakt, die haar voortdurende verlangen is en die haar blijvend ten deel
valt. En deze uitstraling van Gods Liefde vergeestelijkt haar hele
wezen, het past zich steeds meer aan de eeuwige Liefde aan en voelt zich
door Haar doorlopend aangetrokken, onophoudelijk begeert ze de nabijheid
van God, om met Hem in alle eeuwigheid verbonden te zijn en dus onuitsprekelijk
gelukzalig te zijn. De mensen op aarde verlangen aardse vreugden, lichamelijke
genietingen en ze streven steeds alleen maar naar materieel bezit. En
dit alles vindt zijn einde met de dood van het lichaam. Niets kunnen ze
meenemen in het geestelijke rijk, als ze geen geestelijke goederen hebben
verzameld, die echter alleen door het achterstellen van aardse wensen
te verkrijgen zijn. En als ze zich nog voor de lichamelijke dood kunnen
losmaken van de wereld, als zij nog tevoren de waardeloosheid ervan hebben
ingezien en zich met gedachten aan het hiernamaals bezighouden, kunnen
ze gelukkig geprezen worden, want dan is voor hen de weg naar boven in
het geestelijke rijk niet meer gesloten, hoewel onuitsprekelijk moeilijk
te beklimmen, maar dan streven ze niet meer naar aardse goederen en hebben
ze de boosaardige verleidingen niet meer te vrezen, waardoor een ziel
zwak wordt en niet in staat is om weerstand te bieden. Dan zullen ze zeer
spoedig ondersteuning krijgen van de kant van de lichtwezens, die hen
helpen, door hun geestelijk goed uit te delen, ofschoon binnen bepaalde
grenzen, tot de ziel zelf haar best doet meer te krijgen, tot ze haar
opgave in het geestelijke rijk heeft ingezien en die probeert na te komen.
Wat ze verlangt valt haar ten deel. Alleen de wil is beslissend en opdat
de wil juist kiest, worden de mensen van God uit voortdurend van Zijn
Wil op de hoogte gebracht, maar ze luisteren niet naar Hem, ze begeren
meer de wereld en brengen hun zielen in groot gevaar.
Daarom ontfermt God Zich over hen en Hij toont hen duidelijk welke waarde
de aardse materie heeft, doordat Hij het toelaat, dat ze voor de mens
verloren gaat, doordat Hij steeds weer van hen afneemt, wat ze bezitten
en waar hun hart aan hangt, zonder zich bewust te zijn, dat het een verkeerde
liefde is die in hen sluimert. Hij neemt van hen af, wat ze vrijwillig
niet willen opgeven, om hen op aarde al te tonen, dat ze kan worden overwonnen,
om hen te helpen zich van het verlangen ernaar vrij te maken, zich met
weinig tevreden te stellen en hun liefde op geestelijke goederen te richten,
die aanzienlijk waardevoller en onvergankelijk zijn.
Elk aards verlies, dat de mens treft, is een hulpmiddel van God, het is
een zachte aanmaning, zich ervan af te keren en een teken van de vergankelijkheid
van al het aardse. En wie met open ogen om zich heen kijkt, kan Gods
werkzaam zijn overal herkennen, Die de mensen helpen wil, hun denken en
streven geestelijk te richten, opdat ze nog voor de lichamelijke dood
de materie leren verachten en alleen geestelijk goed nastreven; opdat
ze zich een lot scheppen in het hiernamaals, dat gelukzaligheid betekent,
opdat ze gelukkig worden, omdat het hun wil is.
Amen |